‘We folteren helden graag, zo zijn we’

De gebroeders Coen wonnen in Cannes de Grand Prix met ‘Inside Llewyn Davis’. Een gesprek met twee samenzweerders.

Foto Hollandse Hoogte

De kat is een running gag van de gebroeders Coen. In Cannes brengen ze de pers aan het lachen met de bekentenis dat ze eigenlijk geen plot wisten te verzinnen voor hun film Inside Llewyn Davis. Die moest gaan over de folkrevival in Greenwich Village, New York, anno 1961, vlak voor Bob Dylan. The Mayor of MacDougal Street, de wrange memoires van folkmuzikant Dave Van Ronk, leverde slechts anekdotes en couleur locale.

„Dus gooiden we die kat er maar tegenaan”, vervolgt Ethan Coen droog.

De zorg voor een rode kat is een van de plagen van de dak- en succesloze muzikant Llewyn Davis. En zonder die kat was er echt geen film geweest, herhaalt Ethan Coen de volgende dag in hotel Carlton. „We hadden een begin, met Llewyn die in een steeg achter café Gerde’s Folk City in elkaar wordt geslagen. We wisten ook door wie en waarom. Maar na maanden schrijven hadden we alleen kleine, discrete episodes. De kat reeg alles aan elkaar.”

Zou het? Bij de gebroeders Coen weet je nooit waar het serieus wordt. Een samenzwering voor twee, omschreef een criticus ze. Jongens die achterin de klas besmuikt zitten te fluisteren; ze hebben genoeg aan elkaar. Joel heette lang de regisseur van het duo te zijn en Ethan de producer, maar op de filmset waren ze altijd onafscheidelijk. Welwillend op afstand, monkelend, immuun voor kritiek of lof; de Coens, die in Cannes geen groepsinterviews doen, zijn in al hun vriendelijkheid best intimiderend. De donkere, lange Joel (59) hangt slaperig en afwezig achterover, de kleine Ethan (56) zit als een springveer op het puntje zijn stoel, met een vlotte grijns. Toch klinken ze identiek.

Het boek ‘The Mayor of MacDougal Street’ bevat weinig verhaal. Was het de toon van Dave Van Ronk die u aansprak?

Ethan: „Zeker. Van Ronk kan enorm grappig observeren, op een scherpe, onbarmhartige manier. Maar we zagen zijn boek nooit als een blauwdruk, eerder als de beste beschrijving van de folkrevival in The Village die voorhanden was. En daar wilden we beslist een film over maken.”

Joel: „Llewyn Davis verschilt meer van Dave Van Ronk dan we vooraf van plan waren. Dat komt ook door Oscar Isaac met zijn heldere stem. Van Ronk was een schorre mopperpot, hij noemde zichzelf een blues shouter.”

U zet de folkrevival een beetje te kijk.

Joel: „Wij folteren onze helden graag, zo zijn we nu eenmaal. Wij zijn de muzikanten van toen heel dankbaar. Door hen is veel prachtige muziek bewaard gebleven. Maar hun devote verering van authenticiteit is grappig. Of zeg maar gerust: volstrekt belachelijk. Dat kristalliseert zich in de film uit in het moment dat Llewyn voor het eerst een volstrekt authentiek persoon ziet optreden. En wat doet hij? Hij jouwt haar uit. Heel ironisch.”

Waaruit verklaart u die obsessie met echtheid van Llewyn en de zijnen?

Ethan: „Het waren folkloristen die nogal pedant een erfenis wilden conserveren. Ze zagen zichzelf niet als singer-songwriters, Bob Dylan moest nog komen. Zo waren er ook bloedfanatieke aanhangers van New Orleans-jazz die alles exact zo wilden spelen als in de jaren twintig, met exact de instrumenten van toen.”

Bob Dylan zien we heel even. Was hij te groot om een bijrol te geven?

Joel: „Exact, zet de deur op een kier en Dylan neemt meteen je hele film over. Zijn schaduw hangt over alles, maar het is exotischer Greenwich Village te tonen zoals hij dat in 1961 aantrof.”

Ethan: „Dylan maakte goede sier met muziek van mensen als Dave Van Ronk. Die is als de legendarische Johnny Appleseed, de man die uit idealisme appelbomen plantte. Anderen plukten het fruit en werden rijk: nou Johnny, bedankt voor de appels!”

De folkscene was doordrenkt van links idealisme. Waar zijn die rode sektes?

Joel: „Grappig dat u het vraagt. Toen we begonnen te schrijven, verwachtten wij ook meer met politiek te doen. Die communistische scherpslijpers, hoe dat in verband stond met muziek: het leek ons hilarisch. Maar de politiek zweefde op een of andere manier uit het script weg.”

Ethan: „De schuld van de kat, denk ik.”

Llewyn rijdt naar Chicago, die reis heeft iets van een satire op ‘On The Road’.

Joel: „Onder het schrijven dompelen wij ons onder in de periode. We lezen boeken, kijken films of foto’s van Robert Frank.”

Ethan: „On the Road speelde in ons achterhoofd mee. Achter het stuur zit zo’n ruig, Beat-achtig type, achterin een gedrogeerde jazzmuzikant die op folk neerkijkt. ‘Je zei toch dat je een muzikant was’, zegt hij als hij hoort dat Llewyn folk speelt.”

U wilde als hoofdrolspeler een echte muzikant. Wat is er mis met simuleren?

Ethan: „Dat voelde als bedrog in een film die over muzikale authenticiteit gaat.”

Joel: „Het gekke was dat veel meer muzikanten op auditie faalden als acteur dan acteurs als muzikant. Oscar Isaac was de enige muzikant die echt een scène kon dragen. Het duurde lang voor we hem vonden, dat werkte op onze zenuwen. Hoewel het niet nieuw is: bij No Country for Old Men vonden we (hoofdrolspeler) Josh Brolin pas een week voor de opnames.”

U vertrouwt erop dat het goed afloopt?

Joel: „Het is fatalisme. Een film is een trein. Je weet wanneer hij het station verlaat en tegen die tijd hebben we iets verzonnen. Dat weten we uit ervaring.”

    • Coen van Zwol