Verbod op godslastering kan eindelijk worden begraven

Of hij bestaat kan niemand zeggen, zongen de Positivo’s in 1983 en dat was dan ook steeds het probleem bij artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht, dat „smadelijke godslasteringen” als een misdrijf kwalificeert waarvoor de dader drie maanden gevangenis kan krijgen. Want als hij niet bestaat, is hij niet te belasteren. En als Hij wel bestaat, weet niemand of Hij zich door woord of beeld beledigd voelt.

Het was dus een wijs en werelds besluit dat de Eerste Kamer gisteren nam om dit uit 1931 daterende artikel uit het wetboek te schrappen. Een initiatiefwetsvoorstel van D66 en SP werd door een meerderheid gehonoreerd. Niet verrassend stemden de confessionele partijen tegen en opvallend genoeg ook zeven van de zestien VVD-leden. Deze liberale partij heeft nogal geworsteld met de kwestie. Ooit behoorde zij tot de medeondertekenaars van het initiatiefvoorstel (toenmalig Kamerlid Teeven, nu staatssecretaris van Justitie), later trok de VVD haar handtekening in.

Machtspolitieke factoren spelen bij dit soort immateriële kwesties vaak een rol. Er is de huidige coalitie van VVD en PvdA veel aan gelegen om ChristenUnie en SGP niet te kwetsen, benodigd als zij kunnen zijn voor een meerderheid in de senaat. Er werd dan ook een PvdA-motie aangenomen om te bekijken of een ander artikel in het Wetboek van Strafrecht, 137, zodanig kan worden aangepast dat dit „eveneens genoegzame bescherming biedt tegen als ernstig ervaren belediging van burgers door belediging van hun geloof en geloofsbeleving, zonder de werking van de vrijheid van meningsuiting onnodig te beperken”. De drie confessionele fracties stemden voor deze troostprijs, waarvan de praktische betekenis twijfelachtig is. Toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin (CDA) speelde al in 2008 met deze gedachte, maar zag er later vanaf. Het is logischer als de wet zich voegt naar de opvatting van de Hoge Raad dat alleen discriminatoire belediging van een groep mensen, bijvoorbeeld wegens hun godsdienst, strafbaar hoort te zijn.

Sinds de schrijver Gerard Reve dankzij het roemruchte Ezel-arrest werd vrijgesproken (hij had in 1966 God als een Ezel beschreven en met erotische handelingen in verband gebracht) wordt artikel 147 wel als een ‘dood’ artikel omschreven. Maar, zoals de indieners van het wetsvoorstel terecht stelden, beter is het te spreken van een slapend artikel. Af en toe werden er pogingen ondernomen om het wakker te schudden. Bijvoorbeeld door minister Donner (Justitie, CDA) in 2004 na de moord op cineast/columnist Theo van Gogh. Ook klonk dit pleidooi na een optreden van Madonna, na de film The Last Temptation of Christ en na het boek De Duivelsverzen van Salman Rushdie. In wezen stond iedere keer de vrijheid van meningsuiting op het spel. Zonder dat er nu een vrijbrief is gegeven voor ongebreideld smalen of beledigen is het daarom goed dat artikel 147 nu echt wordt doodverklaard. Het kan worden begraven.