Springen door Zegvelds toverwereld

Peter Zegveld, Bonkbed (2012) Foto Gert Jan van Rooij

Hij is sprookjesverteller, lawaaischopper, concertmeester op de Rijksweg bij Almere, techneut, knutselaar, met een verfbazooka in de weer bij het roemruchte Amsterdamse kraakpand Aorta, houtbewerker en opnieuw sprookjesverteller. Wie Peter Zegveld (1951) een kunstenaar noemt, vertelt maar een fractie van het verhaal. Dat verhaal gaat over verbeelding, die elke gedaante kan aannemen – geluid, beweging, beeld, woord, projectie – over fantasie die begint waar de werkelijkheid gewoon niet genoeg is.

Die werkelijkheid is de komende maanden een helaas steriele museumzaal van het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen. De zaal aan de Museumpark-kant wordt gedomineerd door Richard Serra’s permanent opgestelde Waxing Axes. Iets meer dan tien grimmig poëtische, absurdistische installaties en beelden van Zegveld zijn rondom Serra’s gebogen, uit cortenstaal gesmede wanden opgesteld. Soms worden de beelden op Serra’s werk geprojecteerd. Het is eententoonstelling die dertig jaar omspant, een periode waarin Zegveld – ook werkzaam als musicus en als theatermaker bij Orkater – niet eens zoveel beelden heeft gemaakt: een stuk of twintig.

Als je tegen de klok inloopt, bots je tegen het vroegste en meteen ook schattigste werk aan. Een minikubus van beton uit 1983, Spirito Concreto, dat goed aangeeft waar Zegvelds liefde ligt: bij het materiaal en bij ambachtelijkheid. In het betonnen blok zit een scherp gezaagd deurtje dat je op een kier kunt opentrekken. Op gezette tijden klinkt er een zacht gekreun uit het blok. Dat wonderlijke, zachte gekreun brengt elke associatie met de minimalistische Donald Judd of, nog verder terug, Brancusi aan het wankelen.

Vandaar af springt de tentoonstelling heen en terug in de tijd, en ontvouwt Zegvelds toverachtige universum zich als aan- en uitspringend schrikdraad. Starre beelden als Fantoom (2012), een uit groot landbouwplastic opgetrokken spook, of Laocoön (2013) komen plotseling tot leven. Waar Fantoom een beetje een hoog Zweinstein-gehalte heeft, ontbreekt dat bij Laocoön gelukkig volkomen. Met minimale middelen – smoezelige knalrode PVC-buizen, vier tweedehands kantoorstoelen, een hoop snoeren en stekkerdozen – blaast Zegveld de mythe van de door slangen verslonden Trojaanse priester Laocoön nieuw, krakkemikkig leven in.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling is een verzameling installaties die je kunt opvatten als een ensemble over hedendaags vaderschap. Bonkbed (2013), Commode (1989), Broertjes (2012) en Couveuse (2012) schetsen een hardvochtig, geestig en ook melancholiek beeld van de wijze waarop kinderen in het geheugen van ouders zitten. Het gebonk in het bed, de boodschap ’s nachts van een wakker kind, de broertjes die jengelen om hun pappa, en de commode die de angst is van iedere ouder: want wat als het kind van die hoogte valt?

Peter Zegveld maakt die gevoelens op robuuste wijze zichtbaar: er staat een houten commode met geluid binnenin, de bonk in het houten kinderbed wordt vertolkt door een loden kogel zo groot als een kinderhoofdje. Maar de associaties die deze beelden oproepen, blijven hangen en zijn onbenoembaar licht als wolkjes die met je mee waaien het museum uit.