Lekker boeiend, dat afluisterschandaal

Afluisterpraktijken? Daar maken we ons niet druk om, betoogt Floor Rusman. En we praten al helemaal niet over wat de spionage van de NSA ons oplevert. Onterecht, vindt Andreas Kouwenhoven.

Bart uit Big Brother (1999) in de dagboekkamer. Het dagboek, het meest private document dat er is, werd in Big Brother in verband gebracht met de camera, symbool voor het publieke. Foto ANP

Als klein kind dagdroomde ik dat al mijn activiteiten live werden vertoond in een bioscoop. De mensen in de zaal hadden geen eigen leven: ze moesten dag en nacht dat van mij volgen. Ik vond het een fijne gedachte dat ik werd bekeken en probeerde me zo interessant mogelijk te gedragen. Tijdens mijn dagelijkse bezigheden had ik een continue voice-over in mijn hoofd die voor de mensen in de bioscoop dingen zei als: ‘Floor was benieuwd wat ze zou gaan eten.’ Ik vroeg me niet af of mijn leven wel boeiend genoeg was om te volgen. Natuurlijk was het het bekijken waard: het ging immers over MIJ!

Toen ik jaren later aan een goede vriendin in een geluiddichte kamer en onder belofte van strikte geheimhouding deze genante jeugdherinnering opbiechtte, bleek ze die helemaal niet zo bijzonder te vinden. „Ja, de voice-over, die heb ik ook. Nog steeds, trouwens.”

Blijkbaar is het een menselijke behoefte om je het centrum van het universum te wanen.

Waarom vertel ik dit? Omdat ik denk dat er een verband bestaat tussen de wens om gezien te worden en het gebrek aan ophef over de recent aan het licht gekomen afluisterpraktijken.

Ik vroeg me een tijdlang af waarom er zo weinig ophef was over het onderscheppen van e-mails en telefoontjes door inlichtingendiensten en bedrijven. Op de opinieredactie van nrc.next hebben we een handjevol brieven over de NSA gekregen – niets in vergelijking met bijvoorbeeld de bergen post die volgden op een artikel over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. En ook aan de spreekwoordelijke keukentafel blijft het stil. Toen deze krant de afgelopen weken kwam met nieuwe onthullingen, zei een vriendin: „Die heb ik overgeslagen, het is altijd hetzelfde en het interesseert me niet.” Blijkbaar denken de meeste Nederlanders er net zo over, uit een peiling van Maurice de Hond in juni bleek dat driekwart van de Nederlanders geen problemen heeft met het aftappen.

Over deze desinteresse of stilzwijgende instemming kun je verontwaardigd doen, maar er zijn logische redenen voor. Zo is het de meeste mensen niet duidelijk wie worden afgetapt en wat er met die informatie gebeurt. Daarnaast merk je er in de dagelijkse praktijk niets van, zodat je je woede telkens opnieuw zelf moet voeden. En, belangrijker: ik denk dat veel mensen het wel een veilig idee vinden dat de NSA de boel een beetje in de gaten houdt. Wie zelf niet met kunstmestbommen in de weer is, heeft niets te vrezen en wordt gratis beveiligd.

Maar er is denk ik nog een andere reden voor de milde reacties op het NSA-schandaal en privacyschendingen door bijvoorbeeld Google. En dat is dat we de afgelopen decennia langzaam en ongemerkt anders zijn gaan denken over de grens tussen privaat en publiek. In de jaren zeventig rustte er nog een sterk taboe op het schenden van privacy. De volkstelling is toen zelfs onder grote druk van de bevolking afgeschaft.

Maar nu, in 2013, is dat totaal anders. Openbaarheid is een onderdeel van ons leven, iets waaraan we zijn gaan hechten.

Terug naar de dagdroom die ik had als kind. Deze was exemplarisch voor het ontstaan van een nieuw menstype in de jaren negentig: de Schaamteloze Exhibitionist. Dit menstype werd aan het einde van dat decennium geïntroduceerd door John de Mol in zijn realityprogramma Big Brother, feitelijk de realisatie van mijn kinderfantasie. Met Big Brother konden we voor het eerst op tv kijken naar livebeelden van Normale Mensen.

Het bleek een gigantisch succes. Big Brother werd verkocht aan achttien landen en werd in ijltempo opgevolgd door soortgelijke formats. Gewone mensen bleken ineens het bekijken waard te zijn. Als tiener wist ik niet beter dan dat iedereen een beroemdheid kon worden. Op MTV werden onzekere pubers vlotte jongeren. In Expeditie Robinson konden we zien hoe volstrekt oninteressante mensen met elkaar op de vuist gingen voor het laatste stukje pannekoek. En in Big Brother luchtten de deelnemers hun hart in de dagboekkamer. De dagboekkamer! Het meest private document dat er bestaat, het dagboek, werd hier in verband gebracht met de camera, symbool voor het publieke.

Exhibitionisme is normaal geworden

In dezelfde periode ging iedereen massaal internet gebruiken. Nu was je niet eens meer afhankelijk van tv-programma’s om beroemd te worden; je kon ook een blog beginnen of een liedje op YouTube zetten. Op Facebook kan iedereen zich het centrum van het universum wanen. Laatst zag ik zelfs dat je een animatiefilm kunt laten maken over jouw vriendschap met iemand anders op Facebook, en dat je kans maakt op een vertoning ervan in de bioscoop. Zo beschouwd lijkt mijn dagdroom helemaal niet zo krankzinnig.

De afgelopen vijftien jaar is exhibitionisme normaal geworden. Politici laten hun privésituatie zien in campagnefilmpjes, in de media verschijnen zeer persoonlijke interviews waarin allemaal intieme details worden geopenbaard, en iedere half bekende Nederlander die iets heeft meegemaakt voelt zich genoodzaakt daar een boek over te schrijven.

Er is geen schaamte meer, alleen nog de wil om te zien en vooral gezien te worden.

In dit licht is het niet zo raar dat men niet boos is over de aftappraktijken. Als je alles van jezelf laat zien, waarom zou je dan moeilijk doen over je e-mails? Misschien is het zelfs wel een fijn en eervol idee dat er iemand constant met je meeleest. Iemand bekijkt je, dus je wordt erkend. In de woorden van Gerard Reve: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’

    • Floor Rusman