Gelovigen blijven bevoorrecht

Smadelijke godslastering verdwijnt uit het Wetboek voor Strafrecht, heeft de Senaat gisteren besloten. Maar Hafid Bouazza is daar niet tevreden over.

illustratie angel boligan

Hoe breng je een God tot leven? Door hem te begraven in het wetboek. En dan niet via gedwongen geloof (staatsreligie), maar door beschimping van dit wezen en van het geloof in hem strafbaar te stellen. Zo laat de mens Gods regels alsnog botvieren.

Voor de ongelovige is God een non-entiteit, maar de bestraffing van spot met hem en met het geloof in hem maakt van hem een aanwezig fenomeen. Voor de atheïst wordt hij een negatieve aanwezigheid, want eerbied zal er voor hem moeten zijn, hoe dan ook. Zo wordt een axioma opgedrongen, zo blijft een theorema, door het een beschermde status te geven, voortleven.

Dit wil zeggen, zolang het verbod op ‘smalende godslastering’ niet zou worden geschrapt. Deze wet mocht dan wel een dode letter zijn en het afschaffen ervan een symbolische daad, maar deze dode letter begon wel enorm te stinken. En dat de letter nog leefde, bewees Nausicaa Marbe in haar column in De Telegraaf van 29 november: „ Je weet nooit of een van onze onnavolgbare rechters eens een zeloot niet gelijk zal geven als hij zich in zijn ‘intense religieuze gevoelens’ gekrenkt acht door iemand die lak heeft aan welke godheid dan ook.”

Aan tafel bij Pauw en Witteman mochten Boris van der Ham (D66) en senator Roel Kuiper (CU) woensdag 27 november discussiëren over afschaffing van dit wetsartikel van het strafrecht. Van der Ham had zinnigere dingen te zeggen dan Kuiper, omdat laatstgenoemde niet verder kwam dan dat het fatsoen ten dode zou zijn opgeschreven wanneer het artikel niet meer geldig zou zijn. Dat zo’n artikel maatschappelijk normatief zou werken. Verder wees Kuiper erop dat het hier wel ging om „smalende godslastering, de ergste vorm” (terwijl in de semantische hiërarchie lasteren toch echt boven smalen komt). Hoe amusant was de stilte die als een lijkwade gevuld met bakstenen over de gesprekstafel viel toen er werd gevraagd wat ‘smalend’ eigenlijk betekent. Niemand wist het antwoord. Cabaretier Thomas van Luyn dacht dat het een soort grinniken was – hij verwarde het woord duidelijk met ‘meesmuilen’. Maar verbijsterend was wel dat Kuiper niet eens wist wat de term was die zijn hart en maatschappij zou doen bloeden en versplinteren als uitoefening ervan niet meer straffeloos kon. Zijn stelling dat het niet om bescherming van de godheid zelf zou gaan, maar om diens aanbidders is niet overtuigend aangezien (geloofs)overtuigingen al in artikel 137 beschermd worden.

Gelovigen dienen een bevoorrechte positie te hebben. De senaat nam namelijk ook een motie aan om te laten onderzoeken of de wet zo kan worden aangepast dat gelovigen afdoende worden beschermd tegen belediging van hun geloof. Hun bevoorrechte positie raken gelovigen dus niet kwijt, ook al druist deze onbeschaamd in tegen artikel 1 van de grondwet waarin iedereen, ongeacht ras, geloof, levensovertuiging of seksuele geaardheid, gelijk is voor de wet en dientengevolge gelijk behandeld dient te worden. Het schrappen van een artikel om de essentie in een ander artikel op te lossen, is geen verbetering, noch vooruitgang: het is een retorische pirouette van lik me vestje. Het is Nederland onwaardig, het land van de individuele emancipatie; en dan gebruik ik dit woord in de oorspronkelijke betekenis van ‘bevrijding uit de handen van een machthebber’. Het knevelen van de tong is de onderwerping van de vrije geest, een term die een pleonasme zou moeten zijn. Abstracties zoals geloof beschermen – hoe bizar wil men het hebben. Dit is afgrijselijk, adieu egalité!

Zowel de PvdA als de VVD veinst zich zorgen te maken om bepaalde minderheden die extra bescherming nodig hebben. Ah, er is al een m-woord gevallen, maar niet het m-woord dat men zou verwachten. De ‘liberalen’ hebben al getoond dat ze een ruggengraat hebben waarvan je een vlinderdas kunt strikken, maar moeten ze daarom andere mensen reduceren tot homunculi vervaardigd van veterdrop? Wat een verwatenheid. Het wekt verbazing dat geen gelovige zich heeft uitgesproken tegen deze aanmatigende houding. Zó aantrekkelijk kunnen toebedeelde zwakte en ingebeeld slachtofferschap toch niet zijn dat men deze spreekbuis aanvaardt? Een spreekbuis is uiteindelijk een andere vorm van een muilkorf.

Wat te denken van Matthijs Haak, predikant te Rotterdam Delfshaven? In een brief (NRC, 29.11) schreef hij dat het verbod op godslastering nu nog relevant blijft, omdat het radicalisme onder moslims zou kunnen tegengaan. Daar! Dat is het m-woord dat de hele tijd ongeduldig achter de coulissen stond te trappen. „Uit propagandamateriaal van en voor Syriëgangers”, schreef hij, „blijkt in ieder dat de manier waarop godsdienst (g)een plek krijgt, een rol speelt.” (i.e. in de radicalisering van moslimjongeren.) „In die situatie is ieder signaal welkom dat duidelijk maakt dat iedere levens- en geloofsovertuiging gezien en gerespecteerd wordt binnen de grenzen van de wet. De wet op godslastering kan voor dat bepaalde deel [van de moslims-red.] de wind uit de zeilen halen. En dat is goed voor heel Nederland.” En wat goed genoeg is voor Nederland is goed genoeg voor God, nietwaar? Bij eerste lezing beneemt zulke naïviteit de adem, maar bij nadere beschouwing blijkt zijn verdediging niets anders dan een manier om een zakbijbeltje te verstoppen tussen de spiegeltjes en kralen – de predikant is hier op missie.

Het meest stuitende is dat onder dit herderlijk vertoon angst schuilgaat, net zoals achter de beschermingsdrang van de linksen en ‘liberalen’. En hier bedoel ik niet mee de angst de achterban te verliezen, maar angst voor dezelfde minderheidsreligie die ze beweren extra te willen beschermen. Niet het wilde beest wordt gekooid, maar zijn mogelijke prooi. Nu begrijp ik ook dat pluchekleven waarvan ze zo vaak beticht worden: het is geen wellust tot macht, het is een maniertje om het plasje angst dat ze op de zetel achterlaten niet te tonen. Smalend? U zegt het.

    • Hafid Bouazza