Eigenlijk niet leuk, zo goed is deze film

Inside Llewyn Davis is zo weinig spectaculair dat je je bijna niet kunt voorstellen dat de gebroeders Coen in Cannes de Grand Prix in de wacht sleepten. Zo uitgebeend dat je aan een depressieve variant op A Serious Man of Barton Fink moet denken. Vooral met die laatste film over schrijfangst heeft hij veel gemeen.

Llewyn Davis is een folkzanger (gebaseerd op Dave Van Ronk) die in het Greenwich Village van 1961 van klusje naar klusje scharrelt. Het lijkt wel of de Coens zo af en toe hun succes moeten relativeren door de pijn en de wanhoop van het kunstenaarsbestaan in al z’n grauwe glorie te verbeelden. Pijn die wordt verzacht door muziek. Net als voor O Brother, Where Art Thou? werd die geschreven door ex-Bob Dylan-gitarist T Bone Burnett. Voor het geweldig catchy Please Mr. Kennedy werkte hij samen met Justin Timberlake, die in de film voor alles staat wat Davis niet is: blond, schoongewassen, succesvol.

Davis (Oscar Isaac) is een tobber, die integere muziek wil maken en zich in een impasse bevindt. Meer verhaal is er niet. Hij dwaalt van koud geworden kopje koffie naar logeeradres, met een uitstapje naar Chicago met een heroïneverslaafde John Goodman als komisch intermezzo. Je durft er bijna niet om te lachen in de vrees de fragiele tragiek te doorbreken.

En dan is er die kat die Davis achtervolgt en ontglipt en die hij weer naar huis moet brengen. Het is een toevalligheidje dat bij de Coens opeens heel betekenisvol kan worden. Als je de muziek wegdenkt, is Inside Llewyn Davis een odyssee met kat. Een odyssee waarin iemand een huis zoekt. Dat als hij het vindt – in zijn muziek – gekraakt blijkt door een nieuwe bewoner. Want wie is die Bob Dylan-lookalike op het podium? Het maakt Inside Llewyn Davis tot zoveel meer dan petite histoire, de achterkant van de muziekgeschiedenis, of een grappig portret van falen. Het gaat dieper. Is wranger. Is eigenlijk geen leuke film. Zo goed is hij.

Dana Linssen

    • Dana Linssen