Column

Dure grap

Vierhonderd miljoen euro gaat hij kosten, de beursgang van ABN Amro. Nu lijkt dat, vergeleken met de gehoopte opbrengst van 15 miljard euro, niet zo heel veel. Maar absoluut is het een duizelingwekkend bedrag. De hoogte is eigenlijk al verbazingwekkend, maar nog vreemder is de gelatenheid waarmee het door het kabinet wordt geaccepteerd en ingecalculeerd. Vierhonderd miljoen om een bank naar de beurs te brengen. Als de bank nou in speciale fabrieken zou moeten worden ontmanteld en weer in elkaar gezet, alla. Als de bank voor de verkoop met de Mighty Servant over de halve wereld naar de haven van Hongkong zou moeten worden gesleept, prima. Maar het gaat hier om een beursgang: een nogal administratieve ingreep met wat juridisch gedoe, gevolgd door een redelijk overzichtelijke verkoopinspanning. Het is een operatie die al tientallen, honderden malen is verricht. En je zou verwachten dat banken die de beursgang willen doen, elkaar als gekken zouden onderbieden voor de opdracht, hetgeen de vergoeding toch flink zou moeten kunnen verlagen.

Op naar Londen. De European Banking Authority maakte vorige week de jongste cijfers bekend over grootverdieners in de bancaire sector, die zij verplicht bijhoudt. In heel Europa zijn er zo’n 3.500 mensen in de financiële sector werkzaam die in 2012 alles bij elkaar (salaris, bonus, emolumenten) meer dan een miljoen euro verdienden. Het zij ze gegund. Maar in Londen is de concentratie enorm: daar zitten er 2.714.

Als er een bedrijfstak is waar zo ontzettend veel mensen zo ontzettend veel verdienen, dan zou je verwachten dat een stroom van nieuwe concurrenten dat al lang had gladgestreken. Het gebeurt niet.

Als je dit zegt tegen mensen in deze sector, dan begrijpen ze je oprecht niet. Het werk is zó gespecialiseerd en er is zó veel talent en intelligentie voor nodig dat het vanzelfsprekend zo goed betaalt. Maar er kan hier ook sprake zijn van de omgekeerde causaliteit. Niet: ‘ik ben goed, dus ik verdien veel’, maar: ‘ik verdien veel, dus moet ik wel goed zijn’. Hetgeen, om een zijsprong te maken, verklaart waarom een niet nader te noemen topbankier hier op bezoek bij de krant in 2009 in volle overtuiging zei dat de allerbeste ambtenaar bij Financiën nét goed genoeg zou zijn om bij zijn bank de prullenbak te legen.

Dit alles rechtvaardigt de vraag: is in belangrijke delen van de financiële sector sprake van een oligopolie – het bestaan van een te beperkt aantal aanbieders, met als gevolg te hoge prijzen voor de verleende diensten? Het lijkt er wel op. Zie het als een stuk land dat doorsneden wordt door een rivier. Aan de ene kant staan klanten: overheden, burgers en bedrijven. Zij willen naar de overzijde, voor financiering en complexere financiële dienstverlening. Als er honderd bruggen waren, dan zou de tol verwaarloosbaar zijn. Maar wat als er slechts vijf zijn?

Meer concurrentie dus, zou je dan denken. Maar los van de vraag hoe, zijn er aanwijzingen dat juist grotere concurrentie de financiële sector minder stabiel heeft gemaakt. Minder, grotere, spelers maken de zaken overzichtelijker.

Daar zitten we dan: die vierhonderd miljoen is kennelijk een blijvertje. De beursgang van ABN Amro, een routineklus, wordt duurder dan de tien jaar durende, geldverslindende verbouwing van het Rijksmuseum. De beursgang van ABN Amro verschaft de deelnemende banken en adviseurs uiteindelijk een omzet die vergelijkbaar is met één dag werken van 400.000 arbeiders in de industrie.

Hierbij dus een offerte. Ik doe het voor de helft.