Broeders Coen en Bob Dylan hebben veel gemeen

De visie van de gebroeders Coen op de folkrevival van de jaren zestig heeft iets gemeen met die van Bob Dylan.

Inside Llewyn Davis is een eerbetoon aan een muziekscene die vanaf midden jaren vijftig in New York oude folk en blues herontdekte en bewaarde. „Daar zijn we ze heel dankbaar voor”, zegt Joel Coen, die zelf naar eigen zeggen kan bogen op een „eerder respectabele dan idioot grote collectie antiek vinyl”.

Folk, bluegrass en country klinkt in de meeste films van de gebroeders Coen sinds de jodelcowboy met banjo in Raising Arizona (1987). In 2000 wekte de soundtrack van O Brother, Where Art Thou? hernieuwde interesse voor bluegrass – in die film speelt George Clooney een sjoemelende muzikant in de jaren dertig. Maar de Coens kruiden hun enthousiasme altijd met spot of sarcasme; vaak selecteren ze nogal malle liedjes voor een komisch effect. Bij de vraag of Inside Llewyn Davis een eerbetoon is aan de folkrevival, kijken ze nogal zuinig. „We hadden de film niet gemaakt als we onze liefde voor die muziek niet wilden delen”, aarzelt Ethan. „Maar Llewyn Davis staat net zo ambivalent tegenover folk als wij.”

Of als folkmuzikant Dave Van Ronk (1936-2002) op wie Llewyn Davis is gebaseerd. Hij keek in zijn sardonische memoires terug op de jonge muzikant van toen, die gruwde van al die blije, fris geschoren studenten met gitaren die wel succes hadden met folk. Zelf afkomstig uit het arbeidersmilieu van Brooklyn, wilde Van Ronk oude liedjes authentiek vertolken. Dat kwam door het sektarisme dat hij als 16-jarige aantrof in Greenwich Village, analyseert hij achteraf, waar een strijd woedde tussen bebop en ‘Muffe Vijgen’ die zwoeren bij oude New Orleans-jazz. Van Ronk werd Muffe Vijg „met het absolutisme van de adolescent”, zo schrijft hij. Ook na zijn bekering tot folk richtte hij zich op herontdekken en arrangeren. Moderniseren was commercie, water bij de wijn.

Voor anderen was die obsessie met authenticiteit een identiteitskwestie. Zo bevonden zich veel Joodse jongens en meisjes in de voorhoede van de folkrevival, zoals Robert Zimmerman, alias Bob Dylan. Zij omarmden de Amerikaanse traditie soms met het fanatisme van de outsider die erbij wil horen, soms juist heel dubbelzinnig. Speelt zoiets ook mee in de muzikale voorkeuren van de gebroeders Coen, ‘prairiejoden’ die opgroeiden in grote vlaktes rond Minneapolis, Minnesota? „Wie weet”, glimlacht Ethan neutraal. „We voelden ons gewoon al heel jong tot dat soort muziek aangetrokken.”

Bob Dylan, eveneens opgegroeid in Minnesota, arriveerde in 1961 vol sterke verhalen in Greenwich Village, zette de folkscene naar zijn hand en stak er na zijn doorbraak soms net zo de draak mee als de gebroeders Coen. Dave Van Ronk klinkt in zijn memoires bitter over zijn gewezen protegé en diens kletspraatjes. Zo schrijft Van Ronk over een „woede-uitbarsting van Donald Duckformaat” als Dylan in 1962 zijn fameuze arrangement voor The House of the Rising Sun jat – dat iedereen daarna aan Dylan toeschrijft.

In de film wordt de ernstige Llewyn Davis in een steeg gemolesteerd op dezelfde avond dat de ongrijpbare, sarcastische Bob Dylan voor het eerst The Village betovert. Davis’ ‘authenticiteit’ is dan ontmaskerd als introverte arrogantie, zijn idealen als illusies. Succes gaat nauwelijks over talent, laat staan over echtheid. Als daar al plaats voor is in het bezoedelde universum van de gebroeders Coen, is dat een grap. Net als bij Bob Dylan.

    • Coen van Zwol