Bezorgdheid

Oude Nederlanders zijn bezorgd. Nu zijn ze dat altijd wel geweest, maar de laatste tijd is het erger geworden, veel erger. Waar je ze ook spreekt, op verjaardagen, in wachtkamers, steeds weer beginnen ze over hun onzekere toekomst. Wat zal er met hen gebeuren als ze door kwalen afhankelijk worden van anderen? Dat is de kardinale vraag.

Wie geld heeft, is bang dat het hem straks wordt afgepakt als hij naar een verpleeghuis moet. Wie geen geld heeft, is bang dat hij aan zijn lot wordt overgelaten. Dat zijn geen prettige vooruitzichten. Ze worden gevoed door alarmerende nieuwtjes uit de omgeving. Heb je gehoord dat mevrouw X., die negentig jaar is en al jaren in een verzorgingshuis zit, het verzoek van de directie heeft gekregen om naar een eigen behuizing om te zien? Het huis gaat dicht. Vertel me niks, wij hebben buren met een licht demente moeder waar ze nu maar zelf voor moeten zorgen.

Het is niet altijd duidelijk waar de waarheid eindigt en Broodje Aap begint, maar één ding is zeker: er is reden voor al die bezorgdheid, want de Haagse beleidsbepalers hebben ook in de ouderenzorg drastische bezuinigingsmaatregelen genomen. Over de uitvoering daarvan – met name de verdeling van de taken – zijn ze nu met de gemeenten in een heftig gevecht verwikkeld.

Vorige week bezocht ik in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam een publiek debat over de zorg voor „kwetsbare ouderen”. De inleider begon met de mededeling dat er die dag in Amsterdam nóg drie bijeenkomsten over dit onderwerp waren. Op het podium zaten zo’n vijftien deelnemers, verdeeld in twee kampen: aan de ene kant de burgers (en hun belangenbehartigers), aan de andere kant de bestuurlijke macht, zoals (top)ambtenaren, een wethouder, een burgemeester, plus een zorgverzekeraar.

Zoals te verwachten viel, zeiden de burgers: „Waar zijn jullie mee bezig? Dat gaat zo niet goed.” En de bestuurders: „Wacht even af, het komt wel goed.”

Er werd op niveau gedebatteerd, maar ik denk niet dat de oude Nederlander na afloop minder bezorgd zal zijn geweest dan ervoor. Beide kampen waren het op één punt roerend eens: er bestond nog veel onzekerheid over de precieze uitvoering van de maatregelen. „We weten verrekt weinig”, zo klonk het.

Gelukkig werd de abstractie van het debat afgewisseld met glimpen uit de harde werkelijkheid. We kregen een filmpje te zien van een gemeentelijke consulent, op ‘keukentafelbezoek’ bij een hoogbejaarde vrouw. De vrouw klaagde over haar stroeve rolstoel, de consulent wilde alleen maar weten: „Wat kunt u zelf nog doen?” Haar dochter zei argeloos dat ze wilde bijspringen, wat betekende dat de moeder haar huishoudelijke hulp kwijtraakte. De deskundigen in de zaal hekelden de tactloze houding van de consulent, maar ik dacht: hij doet toch wat hem gevraagd wordt?

En dan was er Patrick, een veertiger die was uitgenodigd om over de zorg voor zijn demente moeder te vertellen. Hij maakte snel een einde aan de mythe dat je dat wel even met hulp uit de buurt kon regelen. „Ze woont op een hofje met oudere dames. Die zijn niet in te schakelen. Veel praktische problemen moet ik zelf oplossen. Ik zou meer toezicht en contact willen, omdat ze vereenzaamt. Voor ons is het moeilijk om de regie te houden, want wij hebben twee banen en twee kinderen. Hulp is moeilijk te krijgen. En als de hulp komt, wil mijn moeder de deur niet openen.”

We blijven nog wel even bezorgd.