Vrijheid in de surveillancestaat

Hoeveel vrijheid moet de burger opgeven om zijn vrijheid te kunnen behouden? In de kern komt ieder debat over nieuwe bevoegdheden voor de inlichtingendiensten daarop neer. Gisteren adviseerde de commissie-Dessens het kabinet om de inlichtingendiensten nieuwe macht te geven en tegelijkertijd het toezicht erop stevig te verbeteren. Daarbij gaat het om het aanpassen van de wet om het zogeheten ongericht aftappen van ‘kabelgebonden’ signalen alsnog te legitimeren. Die praktijk bestaat in Nederland al geruime tijd, zo bleek uit NSA-documenten die zaterdag in deze krant uitlekten. De AIVD breekt in op de servers van internetfora en verzamelt daar gegevens over alle gebruikers, om ze pas daarna te filteren.

Onder hen bevinden zich per definitie onbekende personen die niet verdacht zijn. Of, en zo ja in welke mate, die praktijk door de huidige wet wordt gedekt, is onderwerp van publieke onenigheid. Veel deskundigen veroordelen dergelijke ‘sleepnettechnieken’ als behorend bij een surveillancestaat, waar iedereen schuldig is tenzij hun onschuld kan worden vastgesteld. Anderen menen dat in een internetomgeving dergelijke technieken behalve onontkoombaar ook noodzakelijk zijn. En mits zorgvuldig getoetst op een verantwoordelijke manier kunnen worden toegepast.

De NSA-onthullingen beschadigen intussen wel het vertrouwen van de burger in een zuivere wetsgebonden houding van de AIVD. ‘Dessens’ vond gisteren echter dat uit de „stapel controlerapporten” van de Commissie Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten uit het afgelopen decennium gevoeglijk kon worden afgeleid dat de AIVD zich juist wel keurig aan de wet hield. Tegelijk beval hij in het licht van de praktijk aan die CTIVD op te waarderen tot bindend toezichthouder. Een soort inlichtingenrechter die voortaan een dwingend juridisch oordeel geeft over de vraag of de AIVD bepaalde bevoegdheden wel of niet mag gebruiken. Is het antwoord nee, dan moeten die ook onmiddellijk worden gestaakt. Ook moeten inlichtingendiensten voortaan „bij iedere stap” vooraf expliciet toestemming van de minister krijgen. Een vorm van sandwichtoezicht dus: er vlak voor én er vlak na. Als dat de oplossing is, dan moet er ook een probleem zijn. Het laat in ieder geval zien hoe buitengewoon indringend deze vorm van inlichtingen verzamelen is. Ook over de samenwerking met buitenlandse diensten als de NSA is ‘Dessens’ kritisch. Er moet „nader worden onderzocht” of de wet voldoende „rechtstatelijke en democratische waarborgen bevat” voor dit type samenwerking. Kennelijk is dat nu niet voldoende. Ook dat is een bevestiging van het wantrouwen dat de burger, terecht, tegen het moderne grenzeloze spionagebedrijf koestert.