Senaat stemt in met schrappen verbod op godslastering

Initiatiefnemers Jan de Wit (SP), Gerard Schouw (D66), oud-Kamerlid Boris van der Ham (D66) en minister Ivo Opstelten tijdens het Initiatiefvoorstel-Schouw en De Wit over de opheffing van het verbod op godslastering. Foto ANP / Martijn Beekman

De Eerste Kamer is vanmiddag op initiatief van D66 en de SP akkoord gegaan met het schrappen van het verbod op godslastering. De wet was in de praktijk al een dode letter, maar er werd veel waarde aan gehecht door met name de christelijke partijen.

De senaat stemde vanmiddag in navolging van de Tweede Kamer in met het schrappen van het omstreden wetsartikel. Tijdens een hoofdelijke stemming stemden dinsdag 49 senatoren voor het voorstel en 21 tegen. Tegelijkertijd nam de senaat een motie aan die de regering opdracht geeft om te onderzoeken of de wet zodanig kan worden aangepast dat gelovigen afdoende worden beschermd tegen belediging van hun geloof, zonder dat dit de vrijheid van meningsuiting onnodig beperkt.

Wet al tientallen jaren dode letter

De wet was de afgelopen decennia in de praktijk al een dode letter. Schrijver Gerard Reve werd in 1968 vervolgd, maar vrijgesproken en sindsdien vond er geen vervolging meer plaats. Na de moord op Theo van Gogh opperde Piet Hein Donner, toenmalig minister van Justitie, de strafbaarstelling van godslastering te reanimeren. Reden voor D66 om juist te pleitten voor afschaffing van het wetsartikel. Het zou onnodig zijn gelovigen beter tegen belediging te beschermen dan ongelovigen. En de wet zou de vrijheid van meningsuiting beperken.

Het verbod op godslastering stamt uit 1932, toen minister van Justitie Jan Donner “smalende godslastering” in het Wetboek van Strafrecht liet opnemen nadat een communistisch blad religie in teksten en spotprenten belachelijk had gemaakt. Wie zich “op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat” kon een boete of gevangenisstraf krijgen.

Politieke omstandigheden hielden verbod in stand

Hoewel de non-confessionele meerderheid van de Tweede Kamer al lange tijd weinig op had met het verbod, hielden de politieke omstandigheden het in stand. Eerst was de PvdA in Balkenende VI aan het CDA gebonden, vervolgens ging de VVD met de christen-democraten regeren. Het kabinet-Rutte II maakte de weg vrij. In april stemde de Tweede Kamer voor afschaffing.

Dat het verbod door de senaat zou worden afgeschaft, leek vast te staan totdat senatoren van regeringspartijen VVD en PvdA zich vorige week plotseling zeer kritisch toonden. “Het afschaffen van deze wet is net zo symbolisch als het bestaan ervan”, zei een VVD’er. Bij de VVD werd vanwege de gevoeligheid afgesproken dat het “een vrije kwestie is”. De PvdA-fractie besloot toch unaniem voor afschaffing te stemmen.