Onderwijsranglijst wordt wedstrijd

Landen strijden om een hoge plaats op de PISA-ranglijst, terwijl critici menen dat er te veel belang aan wordt gehecht.

Opnieuw voeren Aziatische landen de ranglijst aan van het vandaag gepresenteerde OESO-onderzoek naar de prestaties van 15-jarigen op het gebied van wiskunde, lezen en natuurwetenschappen. Dit onderzoek heeft in de twaalf jaar dat het bestaat steeds meer de status gekregen van het wereldkampioenschap voor onderwijssystemen. En ook deze keer blijken scholieren in China, Singapore en Zuid-Korea het erg goed te doen. Terwijl het in deze landen feest is, krabt men zich elders achter de oren. Want iedere keer leidt het verschijnen van de PISA-ranglijst tot scorebordjournalistiek én scorebordpolitiek. Zo schreven kranten in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten bijvoorbeeld in 2010 groot over de teleurstellende posities in de middenmoot die beide landen innamen. Politici grepen de slechte prestaties aan als argument om het onderwijs te veranderen.

Ook in Nederland leidden de PISA-resultaten tot ingrijpen van de overheid. Uit de onderzoeken van 2006 en 2009 (gepubliceerd in 2007 en 2010) kwam naar voren dat Nederlandse leerlingen langzaam daalden op de ranglijst. Staatssecretaris en later minister Van Bijsterveldt (CDA) besliste dat scholen meer aandacht moesten gaan besteden aan de kernvakken wiskunde en Nederlands. Er kwamen strengere exameneisen voor Nederlands, wiskunde en Engels. Ook is er een verplichte rekentoets ingesteld.

Het onderzoek van de OESO is echter niet onomstreden. Ten eerste is er kritiek op de wijze waarop het wordt gepresenteerd. De ranglijstjes met dalers en stijgers suggereren een precisie die bij nadere beschouwing van de cijfers niet gerechtvaardigd is. Zo heeft Nederland dit jaar Finland, dat jarenlang de Europese toppositie innam, ingehaald op het gebied van wiskunde. De scores van beide landen verschillen echter nauwelijks van elkaar. Sterker nog: de score waarmee Nederland de tiende plaats bezet, is statistisch niet significant beter dan die van Vietnam, op plek zeventien.

Daarnaast vinden critici dat de OESO te stellig is in de verbanden die ze legt tussen de kwaliteit van het onderwijs in een land en de resultaten bij de testen. Sociaal-economische factoren zouden zeker even belangrijk zijn.

Aan de meeste beleidsmakers zijn deze kanttekeningen niet besteed. In Groot-Brittannië is zelfs al voorgesteld om leerlingen te laten oefenen op de PISA-testen, zodat het land het over drie jaar beter doet op de ranglijstjes. Daarmee wordt het nut van het onderzoek – dat is bedoeld om onderwijskwaliteit te kunnen vergelijken – natuurlijk teniet gedaan.

In Nederland ziet het kabinet de vandaag gepresenteerde resultaten als een aanmoediging om op de ingeslagen weg door te gaan. Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, VVD) liet in een reactie weten trots te zijn. „Dit soort resultaten zijn echter geen rustig bezit. Zodra we zelfgenoegzaam worden, kachelt het onderwijs achteruit.”

Nederlandse scholen toonden in het verleden weinig animo om deel te nemen aan de PISA-testen, die per steekproef door het Cito worden afgenomen. Dekker heeft daarom een wet ingediend die deelname verplicht. De scholen zuchten: nog een toets erbij. Hun verzet zal waarschijnlijk zinloos zijn. Meten is weten: dat is het adagium van het moderne onderwijs.