Kinderen zijn niet schuldig aan de armoede waarin ze leven

Het kon niet uitblijven: de economische crisis manifesteert zich steeds meer in groeiende armoede onder de Nederlandse bevolking. Van de ruim zeven miljoen huishoudens waren er in 2012 naar schatting 664.000 die met minder moeten rondkomen dan het bedrag dat voor de lage-inkomensgrens staat: 990 euro per maand. Dit jaar komt het aantal 700.000 in zicht. De cijfers zijn afkomstig uit het Armoedesignalement 2013 dat het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek hebben gepubliceerd.

Het was wel eens erger: in 1994, een piekjaar qua armoede, leefden 1,2 miljoen Nederlanders onder het zogeheten niet-veel-maar-toereikendcriterium. Armoede, niet te verwarren met inkomensongelijkheid, kent verscheidene definities. Het ‘toereikendcriterium’ voor bijvoorbeeld een alleenstaande is in ronde bedragen uitgedrukt 952 euro per maand voor de eerste levensbehoeften en 1.042 euro per maand als daartoe ook sociale participatie (vakantie, sport, uitgaan, bibliotheek) wordt gerekend.

Bijstandsuitkeringen liggen onder dit niveau. Het verbaast dus niet dat armoede, volgens welke definitie dan ook, vooral voorkomt onder degenen die een uitkering van de sociale dienst ontvangen. Hun koopkracht is sinds 1979 gestaag gedaald.

Als de economie zich herstelt, zal de groei van de armoede worden omgezet in een daling. Hopelijk dragen ook de Wet werk en zekerheid en de Participatiewet die de bewindslieden van Sociale Zaken, minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma (beiden PvdA), de afgelopen dagen presenteerden bij aan herstel van werkgelegenheid voor met name de lagerbetaalden. Maar de echte winst zal van de marktsector moeten komen. Het beste antwoord op het armoedeprobleem blijft een baan, in vaste dienst of als zzp’er.

Maar ook dan zal er altijd een groep huishoudens overblijven die aan armoede lijden, hoe relatief dit begrip in internationale context ook is. Dat geldt bijvoorbeeld voor alleenstaande ouders die verhoudingsgewijs vaak onder de armoedegrens leven (moeders vaker dan vaders). Dit impliceert dat ook hun kinderen in zo’n situatie vertoeven. Van degenen met een inkomen onder het ‘niet-veel-maar- toereikendcriterium’ waren er in 2012 384.000 jonger dan achttien jaar; eenderde van het totaal. Dat is een probleem dat naast de eigen verantwoordelijkheid van deze ouders (en niet te vergeten hun ex-partner) ook aandacht van de rest van de maatschappij vergt. Het is moeilijk te aanvaarden dat kinderen sociaal en wellicht structureel op achterstand worden gezet. De armoedebestrijding van achtereenvolgende kabinetten, de laatste jaren vooral gericht op activering van uitkeringsgerechtigden, mag meer worden geconcentreerd op kinderen die buiten hun schuld in armoede leven.