‘Handel moet veel rechtvaardiger’

Pascal Lamy stapte in september op als WTO-directeur. Nu hij weg is, vindt hij dat het anders moet met de wereldhandelsorganisatie.

Na acht jaar stapte de Fransman Pascal Lamy in september op als baas van de wereldhandelsorganisatie WTO. Aan de vooravond van internationaal handelsoverleg deze week op het Indonesische eiland Bali publiceerde hij The Geneva Consensus, Making Trade work for All, een boek waarin hij oproept tot vergaande hervorming.

De WTO, opgericht in 1995, is gebouwd op de wereldorde van de vorige eeuw en voldoet volgens Lamy niet langer. Méér handel is nog altijd beter, maar arme landen moeten meer kunnen profiteren van de opening van hun markten.

„Het is oneerlijk dat de WTO-regels landbouwsubsidies blijven toestaan die het boeren in ontwikkelingslanden al drie decennia moeilijk maken te concurreren op de wereldmarkt”, schrijft Lamy. „Het is onrechtvaardig dat de WTO landen toestaat tarieven te heffen op exportproducten van arme landen, die drie tot vier keer zo hoog zijn als die voor rijke landen. Het kan niet langer dat we subsidies verstrekken die bijdragen aan de overbevissing van onze oceanen.”

Het probleem ligt volgens Lamy bij grote landen. Met name de Verenigde Staten en Frankrijk zouden dwarsliggen. Op een congres over ontwikkelingssamenwerking in Brussel maakt hij tijd voor een kort vraaggesprek.

Wat verwijt u de VS en Frankrijk?

„Ik maak geen verwijten, ik constateer een feit. In die landen heerst een cultuur die niet pro-handel is. De mentaliteit bij de gevestigde orde is: ‘Hoe meer export, hoe beter. Maar ik wil absolúút geen import’. Ga met Amerikaanse politici praten en je merkt: protectionisme heerst. Hetzelfde in het Franse parlement: open handel zit niet in de cultuur.”

De ‘Washington Consensus’ staat voor het liberaliseringsbeleid van instellingen als IMF en Wereldbank. Waarom wilt u die vervangen door de ‘Geneefse Consensus’?

„De Washington consensus zegt: liberaliseer handel en het wonder geschiedt: rijkdom voor iedereen. Maar inmiddels weten we dat het zo niet werkt. Het medicijn van handel werkt alleen als landen hun milieuregels, sociale vangnet, industriepolitiek en vooral hun onderhandelingscapaciteit op orde hebben. De Geneefse Consensus wil daarom de WTO-regels samenbrengen met die van mensenrechten – het hoofdkwartier van de VN Mensenrechtenorganisatie zit ook in Genève. Dat betekent: open handel – dus wel handelsbevordering, maar niet per se zonder regulering – met speciale aandacht voor de armen.”

Het spel is veranderd, schrijft Lamy over het krachtenveld binnen de WTO. Landen als China, India en Brazilië leggen nu veel gewicht in de schaal dan toen de Doha-ronde in 2001 begon, en tarieven zijn niet meer het belangrijkste. „Onderdelen passeren grenzen, ieder land importeert en exporteert nu”, legt Lamy uit. „Dat maakt het voor ontwikkelingslanden makkelijker deel te worden van mondiale handelsketens, maar het zorgt ook voor nieuwe uitsluitingsmechanismen. Ik kan mijn tarieven voor jouw bloemen uit Rwanda verlagen, maar als ik vervolgens hoge eisen stel aan het pesticidengebruik en jij kunt daaraan niet beantwoorden, blijft mijn markt toch dicht voor jou. Daar gaan de besprekingen op Bali nu over: over standaardisering van producten. Bijvoorbeeld: aan welke veiligheidseisen moet voedsel voldoen, welke chemische behandelingen staan we wel toe en welke niet. De rijke landen zouden de arme landen hierbij tegemoet zouden komen. Maar het is ingewikkeld, want de mate van voorzorg, bijvoorbeeld als het gaat om voedselveiligheid, is sterk cultureel bepaald. ”

Uw opvolger bij de WTO, Roberto Azevêdo, zei dat de onderhandelingen op Bali zullen mislukken.

„Ik geloof nog steeds dat er een succesvolle deal uitkomt. ”

    • Maartje Somers