De vrouwen zijn er niet altijd blij mee

In zijn nieuwe boek interviewt Yoeri Kievits hooligans uit Nederland, België en Engeland.

Wanneer de laatste stoel in het zaaltje bezet is, roept Yoeri Kievits vanaf het podium: „Nu allemaal even je muil houden.” Het is nog geen seconde stil of iemand heft aan: „Rotterdam Hooligans!” Een paar honderd mannen doen mee: „Rotterdam Hooligans! Rotterdam Hooligans!” Zo. Kievits maakt een ‘even dimmen’-beweging en begint een speech over zijn boek dat afgelopen vrijdag verscheen: De mannen die vooraan staan.

Op de zevende verdieping van een Rotterdamse horecatent kwam vrijdagavond de schrik van burgemeesters, politiekorpsen en de KNVB bijeen: de ‘harde kern’ van Feyenoord-hooligans én tientallen hooligans van andere clubs: ADO Den Haag, FC Utrecht, FC Dordrecht, Go Ahead Eagles, Club Brugge. Ze kwamen voor Feyenoord-hooligan Kievits (30), tevens vader en ondernemer in de steigerbouw. Hij heeft, zegt hij, zeker 150 vechtpartijen op zijn naam. Tot voor kort had hij een stadionverbod van acht jaar. Zijn vorige boek over deze subcultuur, Rotterdam Hooligan, werd met 25.000 verkochte exemplaren een bestseller.

De sfeer vanavond is die van een schoolreünie. Mannen van begin twintig tot in de vijftig. Ze zoenen en omhelzen elkaar bij het weerzien. Korte koppies, armen en bovenlijf blauw van de tatoeages. Er is maar één journalist en de enige echte vijand – Ajax-hooligans – is niet uitgenodigd. Vanavond zijn ze onder elkaar. Er zitten advocaten bij en accountants, verzekert Kievits. Hooligans zijn niet allemaal „laag opgeleide debielen”.

Broederschap

Zijn boeken schrijft hij voor zijn maten, zegt Kievits, om hun broederschap vast te leggen. Maar hij wil ook de buitenwereld uitleggen wat hen bindt: liefde voor elkaar en voor geweld. „Als je vecht, dan voel je dat je lééft. Dat je iets meemaakt”, vertelt hij.

In het boek beschrijft hij jongens die pas als volwassene hooligan werden: „Ze komen bij ons in aanraking met geweld en door het beleven van die ‘rush’ raken ze besmet. Die kick is eigenlijk nergens anders uit te halen.” Er zijn er ook veel die school niet afmaakten en wier ouders andere zorgen hadden. „Die zetten zich van jongs af aan al af tegen autoriteit. Tegen het moeten en verplichten. Pleurt op! Ik bepaal zelf wat ik doe.” Zijn eigen vader werkte in de haven, zijn moeder is huisvrouw.

Wie durft te vechten, blijkt uit het boek, die deugt, ook al is hij niet sterk. En niet één keer vechten, maar keer op keer. Je moet je bewijzen. In de jaren tachtig gebeurde dat bij het stadion tegen de hooligans van de tegenpartij, vertelt de ‘oude garde’. Kwam je te laat, dan had je pech.

Later gebeurde het op afspraak via de mobiele telefoon (de slag bij Beverwijk tussen Feyenoord- en Ajax-hooligans, 1997) en tegenwoordig kan er via sociale media een vechtpartij met rivalen georganiseerd worden. Dat doen hooligans in alle Europese landen; en soms worden Feyenoorders uitgenodigd om in Engeland of België te vechten.

Volgens schattingen kost een hooligan in zijn loopbaan de samenleving een half miljoen euro. Er zit vanavond dus voor bijna 200 miljoen euro aan politiekosten en vernielingen bijeen. Hooliganonderzoeker Henk Ferwerda onderzoekt in opdracht minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) of alle investeringen (200.000 politie-uren per seizoen) de moeite waard zijn.

Vrijplaatsen

De dreiging die van hooligangroepen uitgaat, is groot. In De Kuip, het stadion van Feyenoord, zijn ‘vrijplaatsen’ waar politie noch pers durft te komen, zeggen de hooligans. De uitzending van Pauw & Witteman, waar Kievits afgelopen donderdag optrad, werd bij wijze van uitzondering vooraf opgenomen, omdat de harde kern van Ajax niet mocht weten op welk tijdstip Yoeri en zijn vrienden in Amsterdam waren.

Vindt Kievits het normaal dat alles moet wijken voor zijn behoefte aan geweld? Nee, zegt hij. „We zijn er niet trots op.” Maar de buitenwereld overdrijft ook, vindt hij. „Vroeger stond de politie bij wedstrijden met de helm onder de arm. Nu staan ze klaar met helm op en wapenstok in de hand. Ze zijn zelf agressief.”

Hooligans van dezelfde club doen alles voor elkaar, zegt Kievits. „Als iemand een schuld heeft, dan lappen we allemaal wat. Heeft iemand problemen, een slaapplek nodig, dan krijgt hij die. Je hoort ergens bij. Zeker voor de jongens die op straat opgroeien, is dit familie.”

En ze zijn veilig in een vijandige wereld: hebben ze ruzie met andere hooligans of met de buren, privé, dan hoeven ze maar te bellen en er komt een groepje voor ze opdraven.

Vrouwen

Er gelden ongeschreven regels, ook tussen rivaliserende groepen. Vrouwen en kinderen mogen niet in het geweld betrokken raken. Slopen, van winkels of spullen, is fout. Kievits: „Het gaat om het gevecht: vecht je en win je, dan is dat eervol.”

Er is ook één reden dat je uit de groep wordt gezet: verraad, ofwel praten met de politie over anderen. De Feyenoorders die na ‘Beverwijk’ belastende verklaringen over vrienden hadden afgelegd, zouden later uit Rotterdam zijn verhuisd uit angst voor wraak. In Beverwijk werd een Ajaxhooligan, Carlo Picornie, doodgeslagen.

Elke kern heeft, volgens Kievits, een stuk of tien leiders. Bij Feyenoord, derde generatie, is hij er één. Hij heeft een vlotte babbel en vecht graag. In het boek beschrijft hij de rolverdeling: „Er zijn ook regelaars die routes uitstippelen en vervoer regelen waar de ‘soldaten’ zich dan niet druk over hoeven te maken. Dan heb je ook nog jongens met een zware reputatie, die zorgen dat alles ordelijk verloopt.”

Straf is er ook. Toen Kievits zestien jaar was, leden zijn ouders ernstig onder zijn hooligangedrag, vertelt hij. „Al die arrestaties. Ze wisten nooit of ik thuiskwam. Dat vind ik achteraf wel erg.” Later zijn er de echtgenotes die klagen. Een wat oudere hooligan uit Deventer vertelt in het boek hoe erg hij het vindt dat hij niet met zijn zoon naar de Go Ahead Eagles wedstrijden kan. Papa heeft een stadionverbod.