Snelle groei India baat armen niet

Nooit is een land economisch zo snel gegroeid en heeft het zulke karige resultaten opgeleverd voor de armen, zeggen twee vooraanstaande critici. „Dat kan niet goed blijven gaan.”

Begin november lanceerde India vol trots zijn Marssonde. De rookwolken op het raketplatform waren nog niet opgetrokken, of Indiërs begonnen elkaar sms’jes te sturen met gelukwensen. Uit India, dat een derde van alle armen ter wereld herbergt, klonk nauwelijks kritiek op het een miljard euro per jaar kostende ruimteprogramma. Veel Indiërs zien het als bewijs van hun toenemende macht. Dat wil zeggen: de bewoners van het India dat het goed heeft.

Er is ook een ander India. Op de website van een groot tv-station stond onder het nieuws van de lancering een berichtje. Vijf boeren in de deelstaat Maharashtra hadden zelfmoord gepleegd wegens wurgende schulden. Onder boeren in de armste deelstaten is de suïcide tweeënhalf keer hoger dan onder stadsbewoners. Experts wijten dat aan de cyclus van lage opbrengsten en stijgende schulden. Sinds 1995 pleegden volgens een overheidsbureau bijna 271.000 arme boeren zelfmoord. Elke 35 minuten één.

De boerenzelfmoorden spelen geen rol in het boek An Uncertain Glory, India and its Contradictions. Maar er staat genoeg schokkends om de helse armoede in dat andere India te beschrijven. Tweederde van de 1,24 miljard inwoners leeft van minder dan 1,5 euro per dag (omgerekend naar Indiase koopkracht). Van hen heeft de helft minder te besteden dan 1 euro: de armoedegrens. „Hoe moeten deze mensen overleven”, vragen de auteurs zich af. Van de Indiase huishoudens heeft 55 procent nog altijd geen toilet, en 43 procent van de kinderen jonger dan vijf is ondervoed. Dat laatste is meer dan waar ook ter wereld, ondanks twee decennia snelle economische groei: 5,9 procent in de jaren negentig en 7,6 procent in de jaren nul.

India is niet meer ver van ons bed. Het land is de tiende economie ter wereld, na Italië en voor Canada, en doet volop mee aan de globalisering. Zo is het Indiase conglomeraat Tata, dat onder meer Jaguar Land Rover en Corus Steel/Hoogovens IJmuiden opkocht, inmiddels de grootste industriële werkgever van Groot-Brittannië. Maar India is een reus op lemen voeten. De auteurs trekken het tapijt weg onder het verhaal van de onstuitbare opkomende grootmacht die weldra China naar de kroon zal steken. „De wereldgeschiedenis biedt geen voorbeelden van een economie die zo lang zo hard groeide met zulke schamele resultaten bij het verminderen van de menselijke ellende.” Dat kan niet goed blijven gaan, redeneren de auteurs. Een ongezonde, slecht opgeleide en hongerige bevolking levert niet de arbeiders, consumenten en de denkkracht die nodig zijn om hoge economische groei gaande te houden.

Woede

In India werd An Uncertain Glory met opgetrokken wenkbrauwen en soms met woede ontvangen. Maar de auteurs, Nobelprijswinnaar Amartya Sen en Jean Drèze, zijn zwaargewichten wier werk niet zomaar terzijde kan worden geschoven. Het tweetal publiceerde samen inmiddels zeven boeken, over honger en over de ontwikkeling van India. Drèze doet veel veldwerk en heeft directe invloed gehad op het Indiase armoedebeleid.

Sen en Drèze wrijven het er hard in: India mag dan economisch andere landen in de regio zijn voorbijgestreefd, op sociaal gebied moet het een, door veel Indiërs als achterlijk beschouwd, land als Bangladesh laten voorgaan op het gebied van ondervoeding, analfabetisme, onderwijs, levensverwachting, kindersterfte en het uitbannen van ziektes. Zelfs het arme Nepal, met zijn drie keer kleinere Bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking, doet het beter op het gebied van kinder- en moedersterfte, immunisatie van kinderen, ondervoeding en de geletterdheid van vrouwen. Wat in India vooral hard aankwam, was dat het land het bijna net zo slecht doet als erfvijand Pakistan.

Moeder Theresa

„India heeft niets van zijn Aziatische buren geleerd”, aldus de auteurs. Japan, Zuid-Korea en China bouwden hun economische expansie op publieke gezondheidszorg, voedselvoorziening en hoogstaand openbaar onderwijs. Opkomende naties als Brazilië en Mexico doen nu hetzelfde. En India? Dat laat zijn openbare onderwijs en gezondheidszorg verpieteren. China besteedt 2,7 procent van het bbp aan onderwijs, India een ‘miserabele’ 1,2 procent; op gezondheidsgebied zijn de cijfers 5,2 versus 3,9 procent. India vertrouwt op privatisering, maar bedrijven streven naar winst, niet naar kwalitatieve en gelijkwaardige behandeling. Gezinnen die de slechte overheidsscholen en -ziekenhuizen willen mijden, liggen krom voor particuliere scholen en privéziekenhuizen. Sen en Drèze wijzen erop dat China in 1978 het gratis gezondheidszorgmodel losliet en privé-initiatieven toestond. Dat leidde tot zo’n sterke afname van de volksgezondheid, dat de economische groei in gevaar kwam. In 2004 draaide China de privatiseringen terug.

An Uncertain Glory is een genuanceerd boek. De auteurs benadrukken dat economische groei zeker gestimuleerd moet blijven worden, maar zo dat ook de underdogs profiteren. Ze wijzen op de gevaren van privatisering in gezondheidszorg en onderwijs, maar stellen vast dat in andere sectoren de markt het veel beter doet dan vaak inefficiënte en corrupte overheidsinstellingen.

Toch trokken discipelen van de marktwerking, onder leiding van de bekende econoom Jagdish Bhagwati, fel van leer. Bhagwati noemde Amartya Sen ‘de Moeder Theresa van de economie’. Dagenlang waren de woordenwisselingen tussen Bhagwati en Sen voorpaginanieuws.

Over een belangrijk punt van het boek zwegen de media in alle toonaarden. Volgens Sen en Drèze bemoeilijken de enorme sociale ongelijkheid en de granieten hiërarchie het doorstromen van de groei naar de have nots. Het is met name het kastenstelsel – officieel afgeschaft maar nog volop in werking – dat de armen ‘geketend houdt’. De media (maar ook gerechtelijke instellingen, directies, cricketteams, etcetera) worden gedomineerd door de hoogste groepen. Zij zijn vaak niet wezenlijk geïnteresseerd in het lot van de kastelozen. Daardoor ontstaat volgens de auteurs geen maatschappelijke discussie en verandert er weinig. Toen in 2011 het beschamende gebrek aan toiletten bekend werd, ebde de discussie al na een paar dagen weg zonder dat iets aan het beleid werd veranderd.

Toch is er volgens Sen en Drèze verandering op til. Hun hoop geldt vooral India’s democratie. Er is nu robuuste wetgeving ter bescherming van achtergestelden en nationale voedsel- en arbeidsprogramma’s dragen aantoonbaar bij aan het verminderen van de armoede. Bovendien is de opkomende generatie vaker en langer naar school geweest dan zijn ouders. Dat het veel beter kan in India, bewijzen deelstaten als Kerala, Tamil Nadu en Himachal Pradesh. Daar maken vrouwen en Dalits (‘onaanraakbaren’) wél deel uit van de publieke discussie. Het is er beter gesteld met het onderwijs, de gezondheidszorg en de voedselvoorziening en dus groeit de economie er sterker dan op nationaal niveau.

In het enthousiasme rond de Marsmissie gniffelden veel Indiërs over China’s Marssonde, die vorig jaar in zee stortte. Maar India is nog lang geen China, waarschuwen Sen en Drèze. „Veranderingen in India zijn een langzaam proces, niet een plotselinge lawine.”

    • Joeri Boom