Overtuigend debuut Van den Berghe bij TA

Jonge regisseur behoudt bij Federico García Lorca’s topzware, abstracte en symbolische ‘Bloedbruiloft’ wonderwel haar evenwicht

V.l.n.r.: Dragan Bakema, Laurien Riha, Robert de Hoog, Chris Nietvelt, Peter Bolhuis, Lauranne Paulissen en Frieda Pittoors in Bloedbruiloft. Foto Jan Versweyveld

Ze klitten angstvallig samen, de zeven personages in Federico García Lorca’s Bloedbruiloft, in de regie van Julie Van den Berghe. De bruidegom en zijn moeder, de bruid en haar vader, haar ex (en ware liefde), diens jonge vrouw en de meid. Bij aanvang van de voorstelling zien we ze op de rug, strak in het gelid. Ze zingen een gospel van hoop en morgenstond, maar troosteloos, want het wordt niet beter. Als ze zich over de speelvloer bewegen, dan is het samen, aaneen gekluisterd. Een mooie theatrale vondst die effectief de groepsdwang in deze rigide sociale gemeenschap verbeeldt.

Met Bloedbruiloft (1933), een deel uit zijn trilogie van het Spaanse platteland, schreef Lorca een bloederig noodlotsdrama, zwaar van symboliek. Jongen en meisje trouwen, naar de wens van hun familie en omwille van bezit. Maar zij is haar vorige geliefde, de arme Leonardo, nooit vergeten. Op haar huwelijksnacht gaat ze er alsnog met hem vandoor. Geheel in lijn met eerdere vetes tussen de families moet dit verraad met bloed worden gewroken.

Lorca legt de natruk niet op individuele personages, maar op het amalgaam van wetten en conventies dat hun tragische lot bepaalt. Iedereen is hier ongelukkig; men zwicht onder de terreur van de traditie, keer op keer op keer. Dat cyclische gegeven onderstreept Lorca met verwijzingen naar een wassende maan, en het bloeien en vergaan van natuur. Zelfs zoiets simpels als paardrijden is bij hem niet vrij van symboliek. Topzwaar, abstract toneeldrama, kortom, voor wie niet uitkijkt.

Het moet koorddansen zijn geweest voor de jonge regisseur Van den Berghe (1981), die in eerdere voorstellingen bij NTGent duidelijk maakte dat ze wel voelt voor (soms tamelijk onbegrijpelijke) theatrale abstractie en het meer-dan-grote-gebaar. Haar poëtische beelden en sferen kunnen krachtig en meeslepend zijn, maar de dosering liet bij bijvoorbeeld Het meisje dat te veel van lucifers hield (2011) of Olifant Jezus (2012) nog te wensen over. Die laatste voorstelling bezweek onder een in te grote vormdwang gegoten metafoor, die (zichtbaar) spelplezier bij de acteurs en inleving bij het publiek onmogelijk maakte.

Maar in Bloedbruiloft, haar debuut binnen opleidingstraject TA-2 van Toneelgroep Amsterdam en Theater Frascati, behoudt Van den Berghe wonderwel haar evenwicht. Ze heeft flink gesnoeid in de tekst en weet een teveel aan symboliek succesvol te vermijden, terwijl ze aan dit topzware stuk ook nog eens humor en zelfs een beetje schwung toevoegt.

Naast een paar geestige decorvondsten en een goeie discoscène, zit de humor vooral in het spel. Van den Berghe beschikt over een paar topacteurs, die zulke fraaie miniatuurtjes van hun personages maken dat ze veel méér worden dan zetstukken in een symbolisch geheel. Peter Bolhuis als de vader van de bruid kan hartverscheurend geluidloos schreeuwen, en hij stottert van levensmoeheid; beleefdheden en social talk moet hij met kracht uit zijn logge, terneergeslagen lichaam forceren. Frieda Pittoors is daarnaast prachtig als de ongehuwde meid. Een stokoud besje dat de mond vol heeft van seks en liefde, en als een puber dweperig in een trouwjurk danst – haar levenslange hunkering nog altijd niet bevredigd.

Wat is het tegenovergestelde van een miniatuur? Chris Nietvelt speelt de moeder van de bruidegom tot in het groteske uitvergroot. Een woedende feeks is het, een hysterische kenau, wrokkig gebogen over haar stok – het vuurrode haar slaat als vlammen uit haar hoofd. Ze krijst, jankt, dwingt en manipuleert dat het een aard heeft. Het is totaal over-the-top, en toch weet Nietvelt het precies goed te doseren; geen moment word je haar zat. Technisch verbluffend, al staat de artificiële speelstijl wel een tijdlang de inleving in de weg.

Die komt uiteindelijk alsnog, bij een roerende scène tussen de gevluchte geliefden; de kalme, overtuigde, in zijn lot berustende liefde van Leonardo (Dragan Bakema) raakt diep. Hier geeft Van den Berghe even ruim baan aan Lorca’s poëzie. Mooi: kunst en liefde, allebei even louterend en onontkoombaar. Na wat een volmaakt slot was geweest gaat de voorstelling helaas één scène te lang door. Maar daar mogen we nog even Nietvelt zien schitteren; klein en gebroken nu, dus een straf is dat niet.