Intocht Huub Stapel als Hollandse cargocult

Huub Stapel landt als de prins van Oranje in 1813.

Ook Nederland kent vormen van cargocult: een Polynesisch natuurgeloof dat westerse kolonisten zag als gestorven voorouders die heil en geschenken uit zee kwamen brengen. Jaarlijks wordt dus de wederkeer per stoomboot van een Turks-Spaans goedheiligman nagespeeld, en elke kwart eeuw vieren we de landing van prins Willem Frederik van Oranje, in 1813 op het strand van Scheveningen. Hij bracht ons, op uitnodiging van drie regenten, vrede en soevereiniteit, na drie jaar van Franse bezetting, en een verzoening met het in 1795 smadelijk door de Patriotten verjaagde Huis van Oranje-Nassau.

Meestal zijn het Scheveningse amateurs die het lekenspel met de van postzegels en schoolplaten bekende visserskar uitbeelden, maar dit keer lag de regie bij theaterman Aus Greidanus (De Appel) en speelde Huub Stapel (die eerder Napoleon Bonaparte vertolkte) de latere koning-koopman Willem I, te midden van onder meer als oranjemannen op mars in Belfast uitgedoste Scheveningers. „Zoals je wel meer in toneelstukken ziet: verdichting!”, lichtte Astrid Kersseboom toe.

De rechtstreekse televisie-uitzending (NOS) vormde het startsein van de festiviteiten rond 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden, dezelfde dag gevolgd door een meer inhoudelijk georiënteerde herdenking in de Ridderzaal en een Koninkrijksconcert in het Circustheater, dit alles in aanwezigheid van de historici Mark Rutte en koning Willem-Alexander.

Uiteraard is al vaak de kanttekening geplaatst dat je beter de ondertekening van de grondwet van 1814 of de inhuldiging in Brussel in 1815 zou kunnen vieren dan het eerbetoon op het strand door Oranjegezind vissersvolk. In een uitstekend en geestig betoog in de middaguitzending bevestigde historicus Niek van Sas dat de landing van de prins twee functies had: het bestendigen van de door de Bataafse Republiek gevestigde nationale eenheidsstaat en de terugkeer van de Oranjes in het centrum van de macht: „Actief burgerschap was zeker geen kenmerk van 1813”.

Ademden de ochtendfestiviteiten de volkse sfeer van Koningsdag met zaklopen en rijtoer (die startte voor een Thais restaurant), de organisatie van middag en avond had lering getrokken uit het fiasco van Koningslied en andere van boven opgelegde vormen van burgerparticipatie. De toon was eerder relativerend en vrijblijvend, en, uitzonderingen daargelaten, kwalitatief hoogwaardig.

Voor de productie tekende de firma Albert Verlinde Entertainment, die de publieke omroep voor het eerst in weken met 1,7 miljoen kijkers RTL4 en Holland's Got Talent (1,4 miljoen) deed verslaan. De ironie is evident, maar hoe moet dat nu als in de toekomst de publieke omroep geen amusement meer gaat brengen? Wellicht is er dispensatie voor evenementen met een amusementskarakter, zoals Birgitte Kaandorp die de koninklijke familie Ik hou van Holland laat meezingen. Dat is namelijk behalve een daad die de nationale identiteit bevestigt, net weer andersoortige ironie dan die van Linda de Mol.

    • Hans Beerekamp