Hofje

Zaterdag zat ik weer eens in de bankjes voor een echte katholieke mis, zoals ik die in mijn jeugd wekelijks meemaakte. Dat gebeurde in de fraaie Begijnhofkapel van Amsterdam. Ik was er op het jubileum van het Sint-Andrieshofje, het oudste hofje (op het Begijnhof na) van Amsterdam, dat 400 jaar bestaat.

Dit hofje staat aan de Egelantiersgracht in de Jordaan. Ik kom er dagelijks langs en zie er vaak toeristen – veel buitenlandse ook - in- en uitlopen. Zouden ze tevreden zijn over wat ze er gezien hebben? Ikzelf was het wel nadat ik er voor het eerst was geweest.

Toch is er niet zo erg veel te zien. Via een mooie gang met muren van Delfts blauw bereik je een 18de eeuwse hardstenen pomp waarachter een tuin ligt. Daaromheen verrijst een carré van bescheiden, aan elkaar gebouwde woningen met dakkapellen.

Het is vooral de rust die je treft op een plek waar je die niet zo verwacht; dichtbij bevinden zich drukke wegen als de Rozengracht en de Prinsengracht.

Op het Sint-Andrieshofje lijkt de tijd stil te staan, er hangt de gewijde sfeer van meditatie. Zo staat het ook op een bordje in het hofje: ‘Woongebied. Oase van rust.’ Waarna enkele waarschuwingen volgen voor de toeristen: niet schreeuwen, geen vogels voeren, geen honden loslaten, geen fietsen plaatsen.

Vier eeuwen is veel, ook voor een plek waar weinig lijkt te gebeuren. Annemarie Vels Heijn schreef een boekje over de geschiedenis van het hofje: 400 jaar Sint-Andrieshofje in Amsterdam.

Het werd na die mis in het Begijnhof gepresenteerd, toen de miswijn vervangen mocht worden door de seculiere wijn. De schrijfster vertelde dat ze in de archieven verrrassende feiten had ontdekt.

In het Sint-Andrieshofje leefden vroeger alleen arme, oude, katholieke vrouwen. Dit gebeurde met ondersteuning van rijke katholieke families. De vrouwen (‘besjes’) mochten er gratis wonen, van de bedeling kregen ze turf, linnen, bonen en gort. Het waren 66 vrouwen, getweeën levend in een woonruimte van niet meer dan 15 vierkante meter, water uit een put, geen sanitaire voorzieningen.

Eén vrouw was de ´moeder´ die de dagelijkse gang van zaken bewaakte. Omstreeks 1800 meldt moeder E. ter Borgt dat „die zig zelven in eenige fouten te buyten gaan ’s zij met schelden of kijven of andere onordentelykheden zullen in geen drie maanden of geruymentijd na ’t oordeel der regenten eenige bedeeling krijgen.”

Tot die ‘onordentelykheden’ behoorden ook nachtelijk herenbezoek. „Aan knaapjes of manspersonen is het nachtverblijf op het Hof verboden”, zo luidde een reglement uit 1888.

Die kuise traditie bestaat in zekere zin nog steeds: men mag geen logeergasten hebben zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

De ‘moeder’ van toen heet nu sociale controle. Maar in 1888 (en daarvoor) was er nog veel méér dat je als bewoonster niet mocht: „Geen der bewoonsters mag buiten het Hof overnachten zonder voorkennis en goedkeuring der Moeder, die daartoe verlof kan geven voor ten hoogste drie achtereenvolgende nachten.”

Tegenwoordig hoeven de vrouwen niet meer katholiek te zijn en is de leeftijdsgrens verlaagd naar 30 jaar. Ze moeten de gemeenschappelijke ruimten schoonhouden, ze mogen geen beddengoed of wasgoed uitkloppen of uithangen, geen dieren houden, behalve één kat, die binnen moet blijven. Er wonen nog maar 21 vrouwen, die huren tussen de 375 en 700 euro betalen.

Ze houden van hun hofje, als ik goed heb geluisterd.