‘Het kabinet wilde geen polarisatie’

Na de treinkaping bij De Punt werd over het gebruikte geweld niet meer gesproken

De trein die in 1977 werd gekaapt en doorzeefd met kogels. Foto ANP

De beschieting van de trein bij De Punt had niet tot doel kapers te doden, zei minister Van Agt (CDA) toen hij in 1977 de Kamer inlichtte, en van een regen van kogels was geen sprake. Nu blijkt dat het ministerie van Justitie een nota uit 1978 geheimhield waaruit blijkt dat de zes Molukse treinkapers met opzet zijn gedood. Ze werden samen door 144 kogels getroffen, schreef de Volkskrant zaterdag.

Omdat Van Agt inmiddels premier was, lagen de bevindingen volgens de krant gevoelig. De nota, behandeld door de latere minister Ernst Hirsch Ballin, verdween in de kluis. Volgens toenmalig minister van Justitie Job de Ruiter (CDA) heeft de nota hem nooit bereikt.

Beatrice de Graaf, hoogleraar conflict en veiligheid in historisch perspectief, deed jarenlang onderzoek naar de treinkaping en sprak er tientallen betrokkenen over. De Leidse historica zag al eerder de autopsieverslagen van de doodgeschoten kapers. Dat het om een „kogelregen” ging, was ook al uit veel boeken en andere publicaties bekend.

Dat er bij kaping „iets móést gebeuren”, lijdt volgens haar geen twijfel. Maar om te begrijpen waarom de overheid het excessieve geweld stilhield, moet je de context van het politieke klimaat in die tijd kennen, zegt ze.

Wat was de context waarin de ingreep plaatsvond?

„Minister-president Den Uyl wilde niet de boeken ingaan als degene die het vuur opende op tweede generatie Zuid-Molukkers. Die koloniale erfschuld hing als een molensteen om zijn nek. Het was vooral zijn minister van Justitie, Van Agt, die aandrong op ingrijpen, en die via de officier van justitie verantwoordelijk was voor de instructies aan de mariniers.

„Tijdens de kaping van de trein, en parallel daaraan de gijzeling van een lagere school met 105 schoolkinderen, braken er opstootjes uit. Molukkers werden er in heel het land op aangekeken. Van die polarisatie wilde het kabinet zo snel mogelijk af. Het kabinet-Den Uyl wilde juist de banden met de Molukse gemeenschap versterken en de integratie bevorderen.

„Na de beëindiging van de treinkaping wilde men alles vergeten en doorgaan. Vandaar dat er verder geen aandacht werd geschonken aan de mate van het geweld, ook niet in de Tweede Kamer. Zo kon die nota van Hirsch Ballin in de lade verdwijnen. Opvallend genoeg was er in de berichtgeving nadien nauwelijks ruimte voor de schuldvraag en de rol van de mariniers tijdens de beschietingen. Daarover werden dan ook geen Kamervragen meer gesteld – tot voor kort tenminste.”

Wat was de opdracht van de mariniers van de Bijzondere Bijstandseenheid?

„De BBE-mariniers hadden als instructie de passagiers te bevrijden, niet om koste wat het kost de kapers in leven te houden – maar ook niet expliciet om ze te doden. De BBE was pas in 1972 opgezet, met jongens die normaal bij andere eenheden waren ondergebracht. Er waren nog nauwelijks professionele maatstaven ontwikkeld of ervaringen opgedaan. Intern zijn wel lessen getrokken uit de actie en werd de BBE professioneler. Ook besprak een hoge ambtelijke commissie wat er voortaan bij terroristische aanslagen, gijzelingen en kapingen moest gebeuren.”

Welke lessen kan je trekken uit het verzwijgen van het hevige geweld?

„Het is goed dat dat alle archieven nu openbaar zijn. Het was de bloedigste antiterroristische actie uit de naoorlogse geschiedenis. Het geweld was zo excessief dat alle partijen – Molukkers, gegijzelden en mariniers – er nog steeds traumatische herinneringen aan hebben.

„Toch is het te begrijpen dat er terughoudend wordt omgegaan met informatie over dit soort zaken, zoals in dit geval om onrust te voorkomen. Die terughoudendheid moet echter altijd worden afgewogen tegen voldoende toezicht en controle op de inzet van overheidsgeweld. We moeten kunnen weten welk geweld de overheid heeft toegepast, tegen wie, en op welke wijze.”

    • Maral Noshad Sharifi