Gele amberen bomen

November. ‘Grijze als een emmer’, zegt Gerrit Achterberg. Grijs brein, grijze gedachten, dit jaar zijn de meeste verkochte auto’s grijs, deze week zijn alle weggelopen poezen grijs en ik heb niets te vertellen. Ik zit te klungelen met zwarte letters op een wit scherm, terwijl zojuist toch iets ergs moet zijn gebeurd, iets heel misdadigs of iets heel subliems, want buiten staat een boom in brand, vuurrood, knalgeel, in een verder geheel grijze straat.

‘Altijd november, altijd regen / altijd dit lege hart, altijd’, zegt J. C. Bloem. Ik zap een beetje. Zie de zoveelste herhaling van de film Pleasantville. Een film in zwart-wit van Gary Ross uit de jaren negentig van de vorige eeuw over de stad Pleasantville waarin zonder uitzondering alles grijs is. Dat is maar goed ook, want elk vermoeden van kleur zou er de rust danig verstoren.

'Altijd hetzelfde, altijd hetzelfde land’, zegt Hans Andreus. ‘Rotsen en eenzame vogels / hier en daar wat gras.’ Met zijn satire zet Gary Ross het simpele zwart-wit beeld van het imaginaire verleden af tegen het kleurrijke chaos van zijn eigen tijd. De opgeruimdheid van de jaren vijftig tegenover de bonte nervositeit van daarna. Brave degelijkheid versus lichtzinnigheid en vrijheid.

Nu, twintig jaar later, is de vraag actueel wat die vrijheid ons brengt. Niet veel soeps, volgens de deprimerende post die dagelijks mijn brievenbus binnenstroomt. Organisaties zien er collectief geen gat meer in. De mens is een door en door verdorven wezen. Waarom moesten we zo nodig het paradijs verlaten? Kijk eens wat er van gekomen is!

In de film Pleasantville is de moderne middelbare scholier David vanuit precies diezelfde frustratie in de ban geraakt van een soap uit de jaren vijftig; hij volgt gefascineerd alle herhalingen op de televisie. De eenvoud van het geportretteerde leven bevalt hem, de veilige, repetitieve alledaagsheid. Totdat hij per ongeluk met zijn zuster terugreist in de tijd en zelf in dat zwart-witte paradijs belandt. Niet in de echte jaren vijftig dus, maar in de weergave ervan, de simplificatie die geschiedschrijving heet.

Nu wonen ze zelf in dat grijze beeld van de brave buitenwijken, vol lieve huisvrouwen met schorten en witte hardwerkende mannen met hoeden op. Alles is er altijd hetzelfde. Alle wegen leiden terug naar huis. Niemand weet iets van seks. Er zijn geen wc’s. Een hof van Eden zonder boeken, zonder kritiek, zonder schreeuwende armoede, zonder gekte en zonder kleur.

Al snel blijken David en zijn zuster alleen al door hun aanwezigheid het paradijselijke verleden te veranderen. Ze brengen verlangen met zich mee. Hier en daar kleurt een appel rood in het grijs van de film. Een tong wordt roze. Een hemd wordt geel. Tot alle remmen los zijn en alles kleur krijgt door hoop en animo en begeerte. ‘Hol en leeg van verlangen / en de gele amberen bomen / de groene en barnstenen stammen’, zegt M. Vasalis. De vrouw des huizes beroert zichzelf in bad en prompt vliegt in de tuin een boom in brand.

Nu gaat het snel. De kunst komt Pleasantville binnen. Boeken met gekleurde platen. Masaccio’s ‘Verdrijving uit het Paradijs’. De liefde arriveert en poëzie en jaloezie en ruzie en vrije wil. En met de vrije wil komt al het goed en al het kwaad. Nu is dit natuurlijk wel een film uit Hollywood en dus ziet de zonde er vooral uit als een fotogeniek tijdverdrijf.

Maar buiten de film raast de vrije wil volwassener voort en richt schade aan. ‘Ayatollah's in Iran, Russians in Afghanistan / Wheel of Fortune, Sally Ride, heavy metal suicide / Foreign debts, homeless Vets, AIDS, Crack, Bernie Goetz / Hypodermics on the shores, China's under martial law’, zingt Billy Joel in zijn liedje ‘We didn’t start the fire’, over de jaren 1949-1989. De wereld brandt en dat komt allemaal door de mens en zijn vermaledijde vrijheid. We didn’t start the fire? Dat hebben we natuurlijk wel gedaan, al was het maar vanuit bad.

November wordt december. ‘Er hangen nog twee blaren / aan mijn esdoorn. Duizend andere zijn / rood geworden, alvorens dood. / Vergeten te kijken. / Vergeten gelukkig te zijn’, zegt Herman de Coninck. De herfst flakkert een laatste keer op in de boom als een vuurvlam in een braamstruik. Er komen jammerende brieven van organisaties die de weg vragen naar het land van melk en honing. Aan de rand van het dorp is een bord verrezen: ‘i.v.m. woninginbraken wordt uw kenteken gescand’.

Dit moet mijn antwoord worden op alle somberte. Een hogere vorm van stemmingmakerij: zoiets als de betere Hollywoodfilm. Maar het komt er niet van, het spijt me; ik ben er te vrolijk voor. In plaats van te werken zit ik me te vergapen aan de mensheid en aan die onbeteugelbare hoop en animo die het heden geel kleuren en rood.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.