Opa’s doorstane angst erft over tot aan zijn kleinkinderen

Hoe weet een jonge muis dat hij bang moet zijn voor een kat? Dat onbegrepen instinct krijgt een biologische basis dankzij een onderzoek dat dit weekend online verscheen in Nature Neuroscience. De Amerikaanse gedragswetenschappers Brian Dias en Kerry Ressler laten daarin zien dat angstige ervaringen van een muis tot in de tweede generatie van zijn nageslacht worden doorgegeven. Zijn aangeleerde angst voor een bepaalde geur blijkt te worden vastgelegd in moleculaire veranderingen op het DNA, waardoor zijn kleinkinderen ook angstig reageren op die geur.

Het gaat om zogeheten epigenetische veranderingen, veroorzaakt door moleculen die zich op specifieke plekken op het DNA hechten en daarmee de activiteit van genen beïnvloeden. Het is dus een extra laag bovenop de gewone erfelijkheid van DNA.

Al langer was bekend dat blootstelling aan bepaalde chemische stoffen, hongerlijden of leefstijl via zulke epigenetische veranderingen het gedrag of de fysiologie van het nageslacht beïnvloeden. Maar nu blijkt dat ook traumatische ervaringen langs deze weg kunnen worden doorgegeven. Voor prooidieren als muizen heeft dat mogelijk evolutionaire voordelen; gevaar wordt voorspelbaar.

Voor het experiment kozen de onderzoekers de geurstof acetofenon, waarvan bekend is dat die specifiek de geurreceptor Olfr151 prikkelt. Mannelijke muizen kregen de geur te ruiken terwijl zij tegelijkertijd een pijnlijk elektrisch schokje kregen. Uiteindelijk was alleen de geur al voldoende voor een schrikreactie. In het DNA van het sperma van deze muizen en in dat van hun jongen bleken er veel minder moleculen aan het DNA rond het gen voor de geurreceptor te hangen. In de hersenen van de jongen bleek het aantal neuronen met deze geurreceptor flink toegenomen. En ze schrokken van acetofenon, zonder het ooit eerder geroken te hebben. Zij gaven het op hun beurt weer door aan hun kinderen, die met ivf waren verwekt en door anderen grootgebracht.