Armoede in Nederland opnieuw sterk toegenomen

Medewerkster bij de voedselbank in Amersfoort. Afgelopen jaar hadden ruim een miljoen mensen in Nederland een laag inkomen. Foto ANP / Freek van de Bergh

Afgelopen jaar is de armoede in Nederland, net als in 2011, sterk toegenomen. Ramingen wijzen op een minder sterke groei in 2013, en een verdere afname in 2014. Dat blijkt uit het rapport Armoedesignalement 2013.

In het rapport geven onderzoekers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een actueel beeld van de omvang, ontwikkeling en karakteristieken van armoede in Nederland. De economische crisis die eind 2008 begon had aanvankelijk een bescheiden effect op de omvang van armoede. Pas in 2011 begon de armoede flink toe te nemen, en in 2012 was de stijging nog groter.

1,3 miljoen mensen rondkomen van laag inkomen

CBS en SCP hanteren elk een eigen definitie van armoede. Het CBS bespreekt de kans op armoede aan de hand van de lage-inkomensgrens. Deze grens vertegenwoordigt een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks alleen aangepast voor de prijsontwikkeling. Het SCP beschrijft armoede op grond van het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Dit normbedrag is gebaseerd op de minimaal vereiste uitgaven voor voedsel, kleding, wonen en sociale participatie.

Afgemeten aan de lage-inkomensgrens hadden 664.000 huishoudens (9,4 procent van alle huishoudens) in 2012 kans op armoede. Dat betekent een forse stijging ten opzichte van 2011 en 2010 toen respectievelijk 575.000 huishoudens (8,2 procent) en 514.000 huishoudens (7,4 procent) een laag inkomen hadden. In totaal moesten vorig jaar 1,3 miljoen mensen rondkomen van een laag inkomen.

In 2012 hadden 1,2 miljoen mensen een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium (7,6 procent van de bevolking). Dat jaar kwamen er 152.000 arme personen bij; in 2011 was de arme groep al met 100.000 gegroeid. In 2012 verkeerden 551.000 huishoudens onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium (7,8 procent van alle huishoudens).

Ook langdurige armoede toegenomen

Ruim 170.000 huishoudens hadden in 2012 ten minste vier jaar achtereen een laag inkomen, 17.000 meer dan het jaar ervoor. Het aandeel huishoudens dat langdurig onder de lage-inkomensgrens verkeert, liep daarmee op van 2,4 procent tot 2,7 procent.

Afgemeten aan het niet-veel-maar-toereikendcriterium nam de langdurige armoede in 2012 eveneens toe, van 2,2 procent naar 2,7 procent van alle mensen.

Sinds 2007 zijn er ruim 100.000 arme kinderen bijgekomen, waardoor het aantal 0-17 jarigen beneden het niet-veel-maar-toereikendcriterium in 2012 is opgelopen tot 384.000 (11,4 procent van alle kinderen). Eén op de drie armen is jonger dan 18 jaar. De armoede onder kinderen is nog wel minder dan tijdens het hoogtepunt in 1994.

Vaak financiële problemen

Huishoudens met risico op armoede kampen vaak met financiële problemen. Acht op de tien huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens gaven in 2012 aan onvoldoende geld te hebben voor uitgaven op het vlak van voeding, kleding, woninginrichting en vakantie. In dat jaar had 11 procent van de huishoudens met een laag inkomen een achterstand in de betaling van huur of hypotheek. Dit is ruim hoger dan in 2008, toen dit aandeel 7 procent bedroeg maar wel iets minder dan in 2011 (13 procent). De groep met weinig inkomen die zich genoodzaakt zag schulden te maken, groeide van ruim 5 procent in 2008 naar bijna 8 procent in 2013.

In 2011 bevond bijna een kwart van alle huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens zich in één van de vier grote steden. Vooral in Amsterdam (15,4 procent), Rotterdam (14,9 procent) en Den Haag (14,0 procent) was het aandeel huishoudens met een laag inkomen hoog. Naast deze drie gemeenten bevat de top 10 onder meer ook Groningen (14,0 procent) en drie Zuid-Limburgse gemeenten, te weten Vaals (13,7 procent), Heerlen (13,0 procent) en Kerkrade (11,8 procent).

Armoedesignalement 2013

    • Cees Banning