Ze vond dat kinderen de mooiste boeken verdienen

Op de uitgeverij liet Marijke zich zelden zien. Ze was geen kantoormens, maar werkte altijd. De villa aan de lommerrijke Rotterdamse Vijverlaan was het terrein van haar man Jean Louis, medeoprichter van uitgeverij Lemniscaat. Hij leidde de uitgeverij op zakelijk gebied, terwijl Marijke vanuit huis werkte aan de redactie en begeleiding van de boeken. Aan de keukentafel ontving ze schrijvers en illustratoren, denkers en vrienden. Daar voerden ze politieke, maatschappelijke en literaire discussies, terwijl de negen kinderen zorgden dat het er nooit stil was.

Marijke Boele van Hensbroek-Reesink, die op 6 november op 93-jarige leeftijd overleed, was meer een aanjager van ideeën dan een redacteur in strikte zin. „Mensen denken dat een prentenboek een tekst is met wat plaatjes. Van mijn moeder heb ik geleerd dat het iets levends is dat moet groeien”, zegt Jean Christophe Boele van Hensbroek, de zoon die nu het familiebedrijf leidt.

Illustrator Charlotte Dematons kwam bij Marijke over de vloer, net als het prentenboekenechtpaar Ingrid en Dieter Schubert. De bezoeken werden met de jaren wel minder – inmiddels nam zoon Jean Christophe ook die familiegewoonte over. Het oude echtpaar heeft zich al lang geleden teruggetrokken van de uitgeverij. „Na de overdracht is mijn vader ook nooit meer op de uitgeverij geweest. Hij was dominant, maar wist dat er één kapitein op een schip moet staan.” Jean Louis stierf in 1999.

In 1963 zegde Jean Louis een „goede baan bij Unilever” op om met zijn vrouw de uitgeverij te beginnen. „Een gewaagde stap. Maar mijn vader had de Birmaspoorlijn overleefd en zei altijd dat je in Nederland tóch niet doodging van de honger, dus dat ze het maar gewoon moesten doen.” Dit jaar vierde de uitgeverij zijn vijftigjarig jubileum.

Het was de overtuiging van Jean Louis en Marijke dat kinderen de allermooiste boeken verdienden, met aandacht en zorg gemaakt. „Dus prentenboeken niet met één steunkleurtje, maar volledig in kleur.” En ze hadden de overtuiging dat de boekenmakers geen toeschouwers van de samenleving moesten zijn, maar deelnemers. Lemniscaats interesse voor de antroposofie – die de uitgeverij nog steeds hardnekkig aankleeft – was maar van korte duur, benadrukt Jean Christophe. „Mijn moeder is misschien beïnvloed door het ontwikkelingsgerichte mensbeeld, maar bij de antroposofen voelde ze zich niet thuis. Engagement stond centraal, maar niet vanuit één overtuiging. We maken geen boeken voor één club of religie.”

Thomas de Veen