Willem I: achtervolgd door het lot

Autist, een ambitieuze moeder, een dode dochter en vier kinderen bij een hofdame. Het leven van Willem I was nóg dramatischer dan het clichébeeld al was.

Wat zou Annejet van der Zijl van koning Willem I (1772-1843) hebben gemaakt? Een vorst als een dolende ridder, die half autistisch, gedreven door tomeloze ambitie en op de huid gezeten door een dwingende moeder probeert te redden wat er te redden valt van zijn Huis en dynastie. Een vorst die in het rampjaar 1806 zijn land, zijn militaire eer, bondgenoten en enige dochtertje verliest – en die troost zoekt bij een hofdame bij wie hij vier kinderen verwekt? Van der Zijl zou er wel raad mee weten.

Historicus Jeroen Koch, gevierd biograaf van Golo Mann en Abraham Kuyper, pakt dat heel anders aan. Bij hem zit de emotie verstopt in enkele bijzinnen. De feiten worden geserreerd gepresenteerd.

Toch verdient deze aanpak in dit geval de voorkeur. Want die feiten liegen er niet om, en Koch heeft ze voor het eerst allemaal op een rij gezet. Dit is de biografie van Willem I waar al bijna een eeuw op is gewacht. Voor de jaren na de vorming van het Koninkrijk, dus na 1813 gaat het bij Koch om een synthese van bestaande literatuur. Maar de voorafgaande periode heeft hij op basis van nieuw en uniek onderzoek in het Koninklijk Huis Archief (KHA) in kaart gebracht. Er zijn in de 19de en vroege 20ste eeuw al wel bronnenpublicaties geweest. Maar Koch heeft veel meer brieven en documenten kunnen inzien, en heeft reeds gepubliceerde brieven opnieuw onderzocht.

Was Willem I al dat werk waard? Ja. Aan hem hebben we ten eerste het Koninkrijk te danken (ook al had hij ook veel geluk en hulp, vindt Koch). Ten tweede blijkt dat zijn leven schokkender, dramatischer en veelzijdiger was dan de clichébeelden rondom zijn koningschap vaak tonen. Ja, Willem Frederik was zuinig, autoritair en weinig empathisch. Hij was ‘koopman-koning’, ‘verlicht despoot’, ‘landsvader’ en ‘kleine Napoleon’. Maar hij was ook een rouwende vader, een (aanvankelijk) verliefde echtgenoot, een in moderne landbouwtechnieken geïnteresseerde bestuurder en een workaholic. Tegelijkertijd genoot hij van thee-uurtjes met zijn hofdames en gooide hij op zestigjarige leeftijd na zijn ronduit beleden protestants vaderlands geloof de Oranjetraditie te grabbel door een Belgisch-katholieke hofdame te trouwen – dat was niet de moeder van zijn vier buitenechtelijke kinderen, maar een vriendin van haar.

Als we ook nog de woelige context van die jaren voor 1813 hierbij betrekken, de jaren waarin de kaart van Europa om de haverklap veranderde, is wel duidelijk dat het een meesterhand behoeft om hier een ordelijk verhaal van te maken. En dat is precies wat Koch doet. Dat er veel interessante zaken sneuvelen of slechts kort worden aangestipt (economische, koloniale geschiedenis, de rol van vertrouwelingen en adviseurs, beeldvorming vanuit het buitenland), is dan jammer, maar vermoedelijk onvermijdelijk.

Koch lijkt Willem Frederik niet echt te mogen – hij ziet hem als ‘autoritair, zwaartillend, achterdochtig’. Maar de biograaf heeft ook mededogen met het zware lot dat de jonge vorst keer op keer treft. Hij geeft originele uitweidingen, over de manieren waarop Willem I zich liet schilderen en wat dat betekende. Over het verloop van Willems gewicht (Koch vond een lijstje met de gewogen maten van de Oranjes door de tijd heen. Mimi, Willems vrouw, viel af, Willem verdubbelde in omvang).

In de conclusie bespreekt Koch de beelden van de koning en kiest er één uit. Niet de schoolplaat van de landing bij Scheveningen, niet de koning als succesvol CEO van de BV Nederland. Nee, Koch kiest uiteindelijk voor het schilderij van Friedrich Bury uit 1808, waarin Willem met woeste haardos nors de wereld inkijkt en een grote mantel vasthoudt, ‘verbeten op zoek naar een toekomst voor zijn Huis’.

Voer voor psychologen. Maar toch blijft er nog iets knagen. Wat moeten wij nu van Willem vinden, hoe verandert deze biografie de beeldvorming? Was Willem I echt zo ‘amateuristisch’ als Koch meent en had hij vooral veel geluk? Welke maatstaf leggen we daarbij aan? Zijn eigen, die van familieleden of tijdgenoten, of die van nu? Is er vergelijkingsmateriaal? Het is de vraag of er andere vorsten zijn te noemen die in een vergelijkbare situatie vanuit het niets zo’n groot koninkrijk opbouwden. En op welk tijdstip moeten we de vorst dan ‘wegen’? Gemeten in het jaar 1806 was hij een totale mislukkeling. In 1813-15 won hij de Europese bingo. In 1829-1831 verloor hij België, en bij zijn overlijden in 1843 waren de meningen nog steeds verdeeld.

Dat is misschien nog wel de grootste verdienste van Kochs magistrale, vloeiend geschreven en voorlopig definitieve koningsbiografie, dat hij de lezer zowel meezuigt als enigszins verward achterlaat. Koch schotelt ons het raadsel-Willem in al zijn tegenstrijdigheden voor en dwingt ons een eigen Willemsbeeld te vormen.