Waar is het toezicht op de

AIVD

?

Den Haag

Tom-Jan Meeus Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week

: Cees Wiebes, spil in de spionnenwereld, over zwak politiek toezicht.

illustratie hajo

Soms zag ik hem, vanuit de Haagse redactie aan het Spui, langs de Tweede Kamer in de richting van het Buitenhof lopen, in die typische pose van een inlichtingenman. Vale regenjas, langzame pas, een hoofd dat zwijgt omdat er te veel te denken valt. Naast hem een kennelijke collega, met ook met zo’n jas, en ook zo’n hoofd.

Dit was dus Cees Wiebes, een man die, voordat hij analist bij de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding (NCTB) werd, voor veel journalisten een bekende was: jarenlang kon je hem, docent internationale betrekkingen op de UvA, elke vraag over het nationale en mondiale inlichtingenwerk voorhouden. Auteur van tientallen boeken, een wandelende spionnenwikipedia: een kenner die zijn kennis graag mocht delen.

Dit veranderde nadat hij in 2006 naar ‘de andere kant’ overstapte. Cees Wiebes was nu ambtenaar in zo’n Haagse toren, het gerucht ging dat hij analyses van terrorismedreiging maakte, maar daar kwam je nooit echt achter: als je hem op straat aansprak hield hij dit graag in het midden. De kenner deelde zijn kennis alleen nog met ambtenaren en ministers en lui uit het inlichtingenwezen. En god weet wie.

Een tijdje terug kwam er mail: een uitnodiging voor zijn afscheid in november. Pensioen. Ik belde en zei: zullen we daarna eens terugblikken? Konden we ook meenemen hoe zijn scepsis over het politieke toezicht op de diensten, waarvan hij als publicist nooit een geheim maakte, zich had ontwikkeld. Goed idee, zei hij. „Dan heb ik wel wat dingen voor je.”

Toeval bestaat: toen we die afspraak maakten, was nog lang niet bekend dat deze krant de Nederlandse NSA files zou publiceren. Over afluisteroperaties van de NSA op Nederland publiceerde hij zelf al uitvoerig in de jaren negentig. Dus toen ik hem deze week opzocht, was het hem vreemd te moede. Zijn onderwerp was ineens van iedereen.

Hij zag en las overal dingen die amper klopten. „Te veel wordt in het extreme getrokken”, zei hij. Als de NSA data van mensen opslaat betekent dit niet dat de NSA die mensen afluistert. „Nuances gaan verloren.”

Evengoed beaamde hij dat er harde vragen te stellen zijn bij het optreden van de Amerikanen. Er zat voor hem logica in de uitbreiding van het NSA-werk: de VS moest iets met de razendsnelle expansie, wereldwijd, van het internetgebruik. „De hooiberg is enorm gegroeid.”

Dit en de „paranoïde” respons van Bush op 9/11 creëerde de ongekende schaalgrootte van de NSA-operaties die we nu stukje bij beetje leren kennen. Zwaar overtrokken, in zijn ogen. Geheime diensten gone wild. „Ik heb er geen begrip voor”, zei hij. „Maar ik begrijp het wel.”

Er zaten angstwekkende kanten aan. Het feit dat de Amerikanen bijna al dit werk uitbesteden aan private partijen. „Dan is er geen controle meer mogelijk. Levensgevaarlijk”, zei hij. Het feit dat de diensten inspeelden op de aloude valkuil van het inlichtingenwerk: wie problemen opklopt krijgt meer middelen en een ruimer mandaat. Dus de privacyschendingen die uit het NSA-optreden voortvloeien zijn „niet verdedigbaar”, zei hij.

Het vreemde was: mede omdat Amerikanen altijd al geneigd waren menselijke spionage te vervangen voor technische middelen, kreeg Nederland een rol in de inlichtingenwereld. De Amerikaan die zich bij Gaddafi als zakenman voordeed, zei Wiebes, werd in Libië sowieso gewantrouwd: moest een CIA-agent zijn. „Van een Nederlandse zakenman dachten ze: die komt geld verdienen.” Idem in Afghanistan. En Nederlandse baggeraars komen in alle uithoeken van de wereld. „Onze diensten zijn klein – maar soms hebben we informatie waar Amerikanen naar smachten.”

Wiebes verzeilde als jong universitair docent in deze wereld omdat „de achterkant” van de diplomatie hem trok. In de jaren zeventig was hij, PPR-lid, Nederlands jongerenvertegenwoordiger bij de VN. Een tegendraads type waarin men de ware speurneus herkent: elk onderwerp van alle kanten bekijken.

Als onderzoeker interviewde hij, zei hij, bijna alle station chiefs die de CIA na de oorlog naar Den Haag stuurde. Dit bood inzicht. Het hielp hem en Bob de Graaff bij een van zijn meest onthullende boeken: Villa Maarheeze (1998) over de teloorgang van de Nederlandse CIA, de Inlichtingendienst Buitenland (IDB).

Een pijnlijke episode als waarschuwing: premier Lubbers, die de waarde van de dienst toch al niet zag, ontbond de IDB in 1994 toen bleek dat medewerkers elkaar afluisterden en er interne fraude werd gemeld. Begeleiding van undercoveragenten was achterwege gebleven, zei Wiebes, en „ook toen al ontbrak het aan politiek toezicht”. Het boek leverde hem fikse ruzies op, dus hij weet wat journalisten met diensten „mee kunnen maken”.

Zijn overstap naar de inlichtingenwereld volgde op zijn grootste prestatie: een fijnzinnige studie naar de inlichtingendiensten bij de val van Srebrenica, onderdeel van de Niod-studie waarover het kabinet-Kok II struikelde. Daarna verdween de drang tot publiceren. Het was mooi geweest.

Zo gebeurde het dat de NCTB hem een baan aanbood. Ze verlekkerden hem met een sneak peak in hun analyses, hij dacht: wat een goudmijn. Zijn eerste analyserapport – op de inhoud rust geheimhouding – was zestien kantjes. „Heel goed”, zei zijn baas. „Nu graag in twee.” Moeilijk. „Dingen zijn nooit zwart-wit.” Hij mag graag de veelgesmade Ton Karremans citeren: „Er zijn niet alleen good guys en bad guys.”

Hij werkte nu als analist met de militaire MIVD en de AIVD. De MIVD had hij hoog zitten. Over de AIVD is hij minder te spreken. In zichzelf gekeerde club. Bang voor vragen, beducht voor verantwoording. „Je moet laten zien wat je doet”, zei hij. Zo is het probleem van de Syriëgangers – ‘popjihad’, aldus de Volkskrant deze week – „zeer serieus”. „Daar kan best meer openheid over komen.”

Vooral wil hij waarschuwen voor het, inderdaad, „nog steeds zwakke politieke toezicht op de diensten”. Er is tegenwoordig een inhoudelijke toezichthouder op het werk van de diensten, de CTIVD, dat vindt hij goed. Maar verder?

De Rekenkamer houdt soms de miljoenenuitgaven tegen het licht. Weinig resultaat. Op departementen is het beeld wisselend. Op Defensie zit het volgens hem goed. Over Binnenlandse Zaken is hij minder zeker. Dan is er de Commissie Stiekem, met de fractievoorzitters, voor het parlementaire toezicht. Functioneert amper. Fractievoorzitters slaan de meeste vergaderingen over: te veel andere dingen aan het hoofd. „Laat staan dat ze dossiers lezen.”

Ooit kreeg hij, foutje, inzage in verslagen van de commissie. „Fundamentele debatten over de bestedingen, of ethische vragen, bleken ze nooit – nóóit - te voeren.”

Dus als je hem vroeg of politici enig idee hebben wat er in die diensten omgaat, zei hij: „Ik ken er niet één. Het gaat nooit een slag dieper.”

Komende maandag adviseert een commissie onder leiding van Stan Dessens over mogelijke verandering van de inlichtingenwetgeving. Wiebes sprak met de commissie, vertelde hij, en gaf ze mee de Commissie Stiekem uit te breiden met een ambtelijke staf.

Die commissie-Dessens is trouwens ook zelf een illustratie van het probleem. Enkele jaren geleden vroeg de Kamer per motie een evaluatie van het werk van de diensten. Dit nadat de CTIVD in 2011 een „onrechtmatige” omgang met NSA-achtige Big Data constateerde. Maar die evaluatie kwam er niet: Dessens kreeg opdracht alleen te adviseren over de wetgeving waaronder de diensten vallen, niet over hun werkwijze. „Wij willen alles weten over de infrastructuur van ProRail, en niets van de diensten.”

Zelfs die CTIVD speelt een soms curieuze rol bij pogingen het echte zicht op de diensten te maskeren. Nadat The Guardian voor de zomer begon over de NSA files, vroeg de Kamer onderzoek: het verzoek was of de CTIVD „aard en omvang” van „grootschalige dataverzameling” door Nederlandse diensten in kaart kon brengen.

Wat bleek: de CTIVD herfomuleerde de opdracht eigenhandig tot onderzoek naar de „bijzondere bevoegdheden” van de diensten op dit punt. Zodat de minister in december geen rapport over de praktijk ontvangt, maar over de mogelijke praktijk. Gerard Schouw (D66) ontdekte dit – maar pas deze maand, toen het CTIVD-onderzoek bijna af was.

„Ik begrijp het wel een beetje”, zei Wiebes. Diensten willen natuurlijk geheim houden hoe ze dingen ontdekken. Maar iets heel anders onderzoeken dan wat de Kamer vraagt – het tekent, zei Wiebes, het gebrek aan parlementair toezicht op de diensten. „Dan denk ik: hoe kan dat, Kamer?”