Verslag van de Nederlandse bisschoppen

De situatie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland baart ons zorgen. In 25 jaar tijd is het aantal leden met een miljoen afgenomen tot ruim vier miljoen katholieken. Slechts 350.000 van hen gaat naar schatting regelmatig naar de kerk. Het aantal priesters in de kerkprovincie is gedaald van 999 in 2004 tot 559 in 2012. En de ontkerkelijking zal verder doorzetten; in 2012 is het kerkbezoek in één jaar met 9 procent gedaald. Dat heeft ook financiële consequenties.

Wij zien ons genoodzaakt parochies samen te voegen. Het fusieproces zal de komende jaren worden afgerond. Wij willen in elke regio ten minste één vitale parochie bouwen om veilig te stellen dat ook toekomstige generaties kunnen blijven kerken. Wij willen voorkomen dat er kerken zijn, waar de laatste grijze parochiaan het licht uitdoet. Het afstoten van kerkgebouwen – hoe pijnlijk ook – is dan ook onvermijdelijk.

Ondertussen doen wij ons best roepingen tot het priesterschap te bevorderen. En wij investeren in systematisch geloofsonderwijs. Zodat mensen in verschillende levensfasen vertrouwd raken met de Heilige Schrift en de leer van de Kerk. Deze vorming en verdieping is volgens ons essentieel voor de toekomst van de Nederlandse Rooms-Katholieke geloofsgemeenschap.

Wij voeren in woord en daad een helder beleid als het gaat om de manier waarop kerkvieringen gehouden moeten worden en waarop gewijde handelingen als de inzegening van het huwelijk moeten worden verricht. Ook over de positie en de taak van priesters, diakens, pastoraal werkers en andere lekenbedienaren zijn wij duidelijk.

Dat is nodig omdat er sinds het Tweede Vaticaans Concilie [kerkvergadering tussen 1962 en 1965 over het bij de tijd brengen van de katholieke kerk, red.] in de Nederlandse kerkprovincie wel heel vrijmoedig is geëxperimenteerd met manieren van vieren en de inbreng van leken. Op sommige plekken is wat ons betreft te zeer afgeweken van de wijze waarop katholieken wereldwijd hun geloof belijden.

De situatie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland brengt ook hoop. Wij constateren dat de katholieken die aan het kerkelijk leven blijven deelnemen dat zeer bewust en vol overgave doen. Ze nemen het katholieke geloof serieus, hebben een gebedsleven en hechten waarde aan hun persoonlijke band met Christus. Wij hebben dan ook vertrouwen dat de overgebleven christenen het zuurdeeg van het Rijk Gods kunnen zijn zoals Jezus het bedoeld heeft: „Waarmee zal ik het Rijk Gods vergelijken? Het gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren.” (Luk. 13,20-21).

Wij vertrouwen er op dat de Heer met ons meetrekt. Hij leidde Zijn volk door de woestijn en zal ons ook door deze dorre periode heen leiden.

Dit is een samenvatting van het eerder deze week gepubliceerde Algemeen rapport van de Nederlandse Bisschoppenconferentie ten dienste van het ad-liminabezoek, op basis waarvan de bisschoppen komende week verslag uitbrengen (en verantwoording afleggen) aan de paus in Rome. Enkele passages zijn ook ontleend aan de brief Geloof in tijden van kerksluiting die kardinaal Eijk vorige maand verspreidde en aan uitspraken van het bisdom Den Bosch, eerder in deze krant.