Schaatsen voor Gods glimlach

Na zeven jaar wint hij eindelijk zijn tweede marathon en vindt hij balans tussen topsport en geloof. En juist dan besluit Geert Plender (29) te stoppen.

Marathonschaatser Geert Plender. „Ik werd me er juist geleidelijk van bewust dat sport en geloof goed samengaan.” Foto Merlijn Doomernik

Hij gaat winnen, nu moet het gebeuren. Hij is de snelste sprinter van de kopgroep. Eindelijk weer winnen. „Toen kwam er een verlammend gevoel over me”, vertelt marathonschaatser Geert Plender, thuis in Kampen, aan de boorden van de IJssel. „Ik moest mezelf in de laatste twee ronden echt een tik voor het hoofd geven. Zo van: dit ga je niet laten lopen, ophouden, niet aanstellen, gewoon die sprint winnen. Ik zakte bijna door mijn benen van de spanning. Zo enorm werkt de geest blijkbaar in op het lichaam. Maar het lukte.”

Zeven jaar geleden maakte de toen pas 22-jarige Plender een stormachtige entree in het marathonpeloton, door in Amsterdam direct een wedstrijd te winnen. „Beetje een lucky shot”, relativeert hij nu. „Ik kwam in een kopgroep terecht met een paar strijkijzers die mij niet kenden, jongens als Henk Angenent en Tristan Loy. Ze namen me zo mee naar de streep. En sprinten kon ik wel.” De zege wekte hoge verwachtingen. Maar daarna won de schaatser uit de Van Werven-ploeg nooit meer. „Elk jaar heb ik wel op het podium gestaan, maar het lukte steeds net niet.”

Tot de plotse winst, nu twee weken geleden in Haarlem. „Ik voelde vooral opluchting. Mijn hele leven rijd ik achter jongens als Ingmar Berga of Bob de Vries, van wie ik altijd verlies. Dan is het moeilijk om je nog een winnaar te voelen. De laatste jaren hield ik mezelf voor dat ik ook plezier had zonder te winnen. Maar dat was een trucje, anders houd je het niet vol. Dat die zege toch kwam, was wel heel fijn.”

Na zeven magere eindelijk het begin van zeven vette jaren? Niet voor Plender. „Toen ik begon, stond alles in het teken van mijn sport. ’s Avonds in bed droomde ik van sportsucces. Nu is dat anders. Sport is nog wel belangrijk. Maar ik heb ook een gezin met twee kinderen, de derde op komst. Ik moet erbij werken. Dat is een heel ander leven. Daardoor ga je bewuster keuzes maken. Vorig jaar heb ik al op het punt gestaan om te stoppen. Ik denk dat dit mijn laatste jaar is. Ik doe al tien jaar aan topsport. Het is tijd om ergens anders goed in te worden.”

De zin van topsport, zijn worsteling daarmee begon al vroeg. Plender groeide op in de gelovige streek rond de Veluwe, de zogenaamde bible belt. „Geloof en topsport zouden niet samen kunnen, uit zo’n omgeving kom ik. Traditioneel kerkelijk, reformatorisch bijna. Daar werd me vaak voorgehouden: zou je dat nu wel doen, die sportwereld? In mijn eigen familie niet hoor. Ik ben met de sport opgegroeid. Op de boerderij, vijf kinderen, mijn vader skeelerde en schaatste. Er werd niet gevraagd of je mee wilde. De hele familie ging gewoon. Zo is het gekomen. Op mijn zestiende werd ik opgepikt door een talentenploeg. Toen kwam langzamerhand het geloof dat ik ergens zou kunnen komen in de sport. Daarvoor helemaal niet. Ik trainde ook niet. Niet zo slim, al mijn concurrenten deden dat wel.”

In zijn omgeving heerste weinig begrip voor zoveel enthousiasme voor sport. „Ik zat bijvoorbeeld op een reformatorische school. Leraren hadden totaal geen waardering voor wat ik deed. Het gevaar van verdwazing, daar werd je in die wereld steeds op gewezen. Die gedachte zat ook in mij. ‘Alles is ijdelheid’, staat in de Bijbel. Of: ‘De oefening van het lichaam heeft maar weinig nut’. Dat stond ook voor mij recht tegenover topsport.”

Rond zijn twintigste ontmoette Plender zijn huidige vrouw en kwam hij in de ploeg bij René Ruitenberg, een voormalige marathonschaatser die tegenwoordig actief is binnen het Amerikaanse evangelisme. „Zij hadden zich in die tijd net bekeerd. Toen begon het geloof ook voor mij echt te leven, tot die tijd was ik meegegaan in mijn opvoeding. Nu kwam ik vanuit een reformatorische wereld tussen christenen vol vuur.”

Geloof of topsport? „Ik werd me er juist geleidelijk van bewust dat sport en geloof goed samengaan. Niet je talenten onder stoelen of banken steken, niet in je schulp kruipen. Maar bloeien, in mijn geval als schaatser. Dat is het idee van God als vader, die wil dat het zijn kinderen goed gaat. Dan hoef je helemaal geen keuze te maken tussen sport of God.”

Filmmaker Geertjan Lassche – ook bekend van een portret van wielrenner Thomas Dekker – maakte over schaatsen en de bible belt de documentaire Zwart IJs , die op 1 januari wordt uitgezonden bij de EO. Is er een relatie tussen beide? „Schaatsen is een boerensport, in die kringen heeft het geloof langer een bepalende rol gespeeld dan in de stad. Maar volgens mij is dat vrijwel verdwenen. Het aantal gelovige marathonschaatsers neemt af, zoals het daarbuiten ook hard terugloopt. Hier in de buurt heb je nog stevige kerken, zoals in Staphorst. Maar ook hier zie je veel meer mensen op hun eigen manier in het leven staan. Ze kiezen hun eigen weg, laten zich niet leiden door dogma’s. Dat is ook mijn weg.”

Balans gevonden, bloeien, weer een marathon winnen. Toch kost het Plender geen moeite om zijn sport straks los te laten. „Verslaafd ben ik er nooit aan geweest, zeker niet als ik zie wat ik er allemaal voor moet doen. Van de week heb ik een keer 140 kilometer gefietst. Dat doe ik in principe niet voor mijn hobby, dat is gewoon hard werken. En de volgende ochtend staan de kinderen er wel gewoon om zeven uur. Altijd maar fit moeten zijn, dat vind ik het zwaarste aan topsport. Wat dat betreft loop ik als niet-prof tegen mijn plafond aan.”

Geen sportieve doelen meer, dromen van een Elfstedentocht? „Die Elfstedentocht doet mij helemaal niks. Ik vind dat zo’n overspannen gedoe. We rijden al jaren de mooiste klassiekers, daar is weinig aandacht voor. Vorig jaar op het Nannewied, windkracht zes, volop sneeuw. Heroïsche beelden. Maar hooguit vijf minuten op Studio Sport, geen krant die erover schreef. Alles gaat alleen maar over die ene wedstrijd, die nooit komt.”

Liever richt Plender zijn energie straks op andere dingen. „Ik zie om me heen best veel mensen die zo lang in de sport blijven dat ze niets anders meer kunnen. Dat wil ik niet.” Hij is al betrokken bij Geloofshelden en Athletes in Action, bewegingen van gelovige sporters. „Ik spreek soms voor groepen, doe in de kerk een tienergroep. Dan vertel ik meestal iets over de ontwikkeling die ik heb zelf doorgemaakt.”

En hij schrijft vanuit zijn eigen ervaringen over sport, onder meer voor de bladen Schaatsen.nl en EO Visie. „Het gaat in de media vaak alleen maar over de winnaars. Ik kijk liever wie erachter zit, wat mensen drijft, wat topsport met je doet.” Van de kwetsbaarheid van Marianne Vos („Zij is best wel gelovig, vindt het soms egoïstisch wat ze doet”) tot het louter winnen op woede van Lance Armstrong („Je ziet gewoon dat zo’n instelling als mens fataal is”). Over de ultieme confrontatie van de sporter met zichzelf. „Er gaat iets open van binnen, zoals bij kunst of toneel.”

Sport heeft hem veel gebracht, beseft Plender. „Ik denk weleens dat de sportwereld mijn redding is geweest. In reformatorische kring had ik veel minder van de wereld gezien.” Gaat hij het niet missen, dat gevoel van een overwinning, zoals laatst in Haarlem? „Ik moet mezelf soms dwingen om te zeggen: ik doe het niet voor het applaus, maar voor de schepper. Zo’n zege brengt ook niet het echte geluk. Een week later word je er weer opgelegd. Het gaat om de harmonie tussen alles, die ik nu voel. God kijkt mee met een glimlach.”