Nog steeds op elke barricade

Regisseur Ken Loach, die een landelijk retrospectief krijgt, vindt zichzelf voor speelfilms te oud. Al is zijn recente werk dramatischer, lichtvoetiger en levendiger dan zijn oude films.

Regisseur Ken Loach: „In de donkerste dagen lachen mensen het hardst.” Foto David van Dam

Met 77 jaar komt zijn uiterste houdbaarheid wel in zicht, vreest Ken Loach. Voor zijn speelfilm Jimmy’s Hall leidde hij wekenlang drukke filmsets op locatie in Ierland: een racepaard dat zich soms afvroeg of hij de volgende bocht nog haalde. Op je 104de nog films regisseren, zoals de Portugees Manoel de Oliveira, vindt hij belachelijk. „Je moet toch eens opzij stappen om anderen aan het woord te laten.”

Loach, de koning van het Britse kitchensink-drama, is in Den Haag om een landelijk retrospectief te openen. Na 48 films voor televisie en bioscoop gaat hij met pensioen. Jimmy’s Hall, over communist James Gralton die in het Ierland van de jaren 30 de priesters trotseert en een danshal opent, ligt nu op zijn montagetafel in Londen. Letterlijk: Loach monteert als een van de laatsten niet digitaal, maar met celluloid en tape. Dat wordt lastig: zo moest hij een oproep doen om de genummerde tape te vinden waarmee je beeld en geluid synchroniseert. Uitgerekend studio Pixar, pioniers van het digitale tijdperk, had nog wat rollen voor hem liggen. „Ik vind plakken en knippen menselijker dan digitaal”, zegt Loach. „Het geeft je meer tijd om na te denken.”

Hoe frêle hij ook oogt, Loachs films over kleine luiden die zich staande proberen te houden in een wereld van boeven en bureaucraten boeten niet aan kracht in. Integendeel: zijn latere films zijn levendiger, dramatischer en lichtvoetiger dan zijn oude. Zo won hij op zijn 70ste de Gouden Palm in Cannes met het Ierse oorlogsdrama The Wind That Shakes the Barley en kreeg hij daar vorig jaar de Juryprijs met schelmenkomedie The Angels Share. In Berlijn krijgt hij volgend jaar een Gouden Beer voor zijn hele oeuvre.

Zijn films nemen nu vaker een komische wending: gaat het soms beter met de wereld? Integendeel. „In de donkerste dagen lachen mensen het hardst. Ik film veel in Glasgow, daar hangt de jeugd de hele dag rond op een dieet van drank, drugs en middagtelevisie. Er is een reservoir van frustratie en woede, maar geen leiderschap om dat te kanaliseren.”

Loach staat nog altijd op de barricade: zo blijft Julian Assange in de ambassade van Ecuador fit op een loopband die Loach hem gaf. Eerder dit jaar maakte hij de polemische documentaire The Spirit of 45, over het jaar dat de socialisten oorlogspremier Churchill electoraal verpulverden en de Britse welvaartstaat optuigden. Loach: „In 1945 hadden we Hitler verslagen, er was een enorm vertrouwen en een vastberadenheid niet terug te vallen in de werkloosheid en armoede van de jaren 30.” Margaret Thatcher speelt in die film de rol van slang in de Hof van Eden: „Zij heeft ons geloof in concurrentie, hebzucht, individualisme en rijkdom door de strot geduwd.” Loach stelde bij haar dood voor de begrafenis te privatiseren. „Dat zou Maggie geweldig hebben gevonden”, zegt hij sarcastisch. „Zij heeft zoveel kapot gemaakt. Als anderen haar tot heilige maken, mogen wij dan niet op straat dansen nu ze dood is?”

Voor Loach vielen de Thatcherjaren samen met een soort midlifecrisis. Zelf was hij een product van die ‘spirit of 45’: een arbeidersjongen die met een beurs naar Oxford kon en gevierd regisseur werd van docudrama. Om begin jaren 80 op een dood spoor te raken met documentaires die opriepen tot staking en verzet. Loach: „En er gebeurde zoveel: fabrieken sloten, massale stakingen, de overheid geprivatiseerd. Ik wilde rauwe documentaires maken die invloed hadden, maar ze zonden ze gewoon niet uit.”

Rond 1990 hervond Loach zich met de paranoïde thriller Hidden Agenda, over Britse doodseskaders in Noord-Ierland, en Riff-Raff, eerste van vele over krabbelaars die proberen het hoofd boven water te houden. „Ik moest me bevrijden van een zware, beladen manier van filmen”, zegt hij. „Het moest lichtvoetig en echt.”

Loach zweert bij simpele scripts, echte locaties, een mix van ervaren acteurs, amateurs en soms een stand-up comedian. „Die zijn geweldig met taal en kunnen tegen een stootje.” Dat laatste is nodig, want Loach verfilmt zijn scripts chronologisch en vertelt zijn acteurs nooit welke kant het opgaat. „Ze krijgen alleen de scène van de volgende dag. Geef ik ze onverwachts een schop in hun maag, dan zie je echte pijn en wanhoop.” Zo verraste Loach Steve Evets door hem met een echt arrestatieteam tegen de grond te werken, en maakte hij David Bradley in Kes wijs dat de valk die hij al weken trainde, de nek was omgedraaid. „Dat kon best, hij was al 14”, zegt Loach. „We kregen een dode valk van de dierentuin, maar die bleek bevroren. De catering legde hem in de oven, toen was hij weer te warm.”

Loach stijl van filmen wordt wel steeds verzorgder en traditioneler. „Camera’s zijn zo licht geworden, dus stalken ze acteurs, duwen de camera zomaar in zijn gezicht. Dat heeft iets agressiefs en onbeleefds. Ik blijf liever op afstand, discreet observerend.”

Bovendien: hij deed het al in de jaren 60, toen rauw en actueel filmen met schoudercamera ook mode was. „Dat krijg je als je 77 bent. Je hebt het allemaal al meegemaakt.”

‘The Wonderful World of Ordinary People’ t/m 21/2 2014 in 16 bioscopen. Inl. filmhuisdenhaag.nl