Column

Marcel Operatie

Woensdag schreef freelance journaliste en arts-assistente chirurgie Emma Bruns in deze krant een zin die ik heb onthouden. ‘De huidige stand van zaken op het gebied van communicatie in de zorg is te vergelijken met een middeleeuwse stad zonder riool.’

Ik moest eraan denken toen ik om half zeven ’s morgens een intakegesprek had met de verpleegkundige van dienst op de afdeling Dagbehandeling van het ziekenhuis waar ik over een half uur - maar het kan ook over een uur zijn, niets staat hier vast – word geopereerd aan mijn keel en stembanden.

Wat ik precies mankeer is me totaal onduidelijk.

‘Er zit daar iets verdachts, maar niets om u zorgen over te maken, tenminste nu nog niet’, of woorden van gelijke strekking zei de KNO-arts een paar weken eerder. Het was geruststellend bedoeld.

Van hem weet ik ondertussen meer dan goed voor me is. Dat hij tegen zijn collega’s graag schuine moppen tapt, dat hij houdt van muziek uit de jaren 60 en dat hij ’s morgens geen tijd heeft om de grijze haren te kammen omdat hij anders te laat komt in het ziekenhuis. Als ik mijn verpleegkundige moest geloven stapte hij vanuit bed zo in de auto, en daarna, na een kop koffie, de operatiekamer binnen.

Net als ik geen ochtendmens dus.

„Ik ben toch niet de eerste van de dag?”, vroeg ik.

Daar ging mijn verpleegkundige niet op in.

Ik moest maar gaan zitten op een van de plastic stoeltjes en ‘net als de andere mensen alles over me heen laten komen’. Wachten dus tot ze me kwamen halen. Daarna mocht ik mezelf een papieren schort aantrekken en een mutsje opzetten en in een bed gaan liggen waarna ze me in ‘een roesje’ brachten. De ingreep zou een kwartier duren, hoe laat ik zou ontwaken bleef een raadsel.

„Dat is bij iedereen anders.”

Als ik wakker werd mocht ik drie dagen niet roken en spreken. Mijn vriendin keek er gisteravond toen we afscheid namen alvast verlangend naar uit. Kon ze eindelijk zonder hinderlijke onderbrekingen haar verhaal kwijt, mijn verzameling asbakken was met een zekere zwier in de vuilnisbak gegooid.

Zojuist kwamen ze me dan halen, een verpleegster die Usnan heet en een arts-assistent met een bril. De verpleegster waarschuwde dat mijn computer uit moest en de arts-assistent zei nogmaals dat het maar een kleine ingreep betrof.

„Frans Bauer heeft het ook ondergaan en kijk hoe het met hem is afgelopen.”

Het had even geduurd, maar uiteindelijk hadden ze me toch bang gekregen.