Koninkrijk der Nederlanden, circa tweehonderd jaar later

Op de avond van 30 november 1813 arriveerde een Engels fregat bij de kust van Scheveningen, met aan boord de 41-jarige Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau, zoon van stadhouder Willem V en prinses Wilhelmina van Pruisen. Drie Haagse notabelen hadden hem uitgenodigd na achttien jaar terug te keren op Hollandse bodem om als soeverein vorst de leiding op zich te nemen. Twee jaar later werd hij als Willem I Koning der Verenigde Nederlanden.

En nu, twee eeuwen later, begint het Koninkrijk der Nederlanden met de viering van zijn tweehonderdjarig bestaan. Of het startsein daarvoor, dit weekend, het juist gekozen moment is, is betwistbaar. Maar de historicus Henk te Velde, lid van het comité dat de festiviteiten organiseert, schreef daar eerder dit jaar in deze krant wijze woorden over: vat de herdenking op als een verjaardag die er niet is om terug te blikken naar de geboorte, maar als moment voor bezinning. Maak de balans op van onze democratie.

Democratie zoals wij die kennen, was allerminst wat Willem I voor ogen stond. Maar wel werden in zijn regeerperiode (1815-1840) fundamenten gelegd waarop ons huidige stelsel mede is gebaseerd. De Staten-Generaal als vertegenwoordigend lichaam en als wetgever, gesplitst in een Eerste en Tweede Kamer. De Nederlandsche Bank die als kredietinstelling de economie op gang moest brengen. Het eerherstel voor de Raad van State als adviesorgaan. De Grondwet die in 1814 Nederland als eenheidsstaat benoemde, hoe onvolkomen ook, zoals Thorbecke later zou opmerken. De Algemene Rekenkamer die dat jaar werd opgericht, evenals ’s Rijks Munt. Bovendien werden belangrijke verworvenheden uit de Franse tijd gelukkig ook na de val van Napoleon als principe gehandhaafd: de onafhankelijke rechtspraak en de scheiding van kerk en staat.

Het zou nog een tijd duren voordat de evenredige vertegenwoordiging via het algemeen kiesrecht ingang had gevonden. Te zeggen dat de zoon en de kleinzoon van Willem I, resp. Willem II en Willem III, daarbij erg behulpzaam waren, zou schromelijk overdreven zijn. Toch bevestigde de inhuldiging dit jaar van koning Willem-Alexander, de achterachterkleinzoon van Willem III, dat de monarchie 200 jaar na de aankomst van dat fregat, The Warrior, in Scheveningen nog op brede instemming van het volk kan rekenen.

Meer vraagtekens zijn er te plaatsen bij het functioneren van de instituties. Is er sprake van een bestel dat passend is voor de 21ste eeuw? Voorbeeld: de macht van de Eerste Kamer die onevenredig groot is voor een orgaan dat niet rechtstreeks gekozen is en waarvan de samenstelling geen afspiegeling vormt van het resultaat van de laatst gehouden nationale verkiezingen. Ander voorbeeld:de Raad van State die twee petten draagt: zowel adviesraad als rechtsprekend orgaan. Het huidige kabinet heeft weliswaar (eindelijk) splitsing beloofd, maar daar is nog weinig vernomen.

Wel is het kabinet bezig met een ingrijpende herverdeling van overheidstaken, waardoor gemeenten er aanzienlijke verantwoordelijkheden bij krijgen. Dat gaat gepaard met de kabinetswens om grotere gemeenten te vormen en provincies samen te voegen, maar die wordt voornamelijk gestut door de noodzaak van bezuinigingen. Een wezenlijke bezinning op de staatkundige inrichting ontbreekt.

Zo blijft de fictie in stand dat de drie bestuurlagen nevengeschikt zijn aan elkaar, terwijl de praktijk is dat de Rijksoverheid het geld verdeelt en dus de macht heeft.

Een herbezinning op democratie en staatsinrichting zou ook tot een markering van de positie van de Europese Unie horen te leiden, inclusief de erkenning dat Nederland, weliswaar naar eigen keuze en in eigen belang, een deel van zijn soevereiniteit heeft ingeleverd. De vierde bestuurslaag, ooit een schrikbeeld toen Nederland nog discussieerde over gewestvorming of soortgelijke regionalisering van het openbaar bestuur, is er toch gekomen. Intussen is Nederland een van de weinige landen in Europa waarin de bevolking geen rechtstreekse invloed op de benoeming van een burgemeester kan uitoefenen. En dan is er ook nog het probleem van de politieke partijen waarvan het (actieve) ledenbestand afkalft. Het wordt steeds moeilijker om volksvertegenwoordiger te rekruteren.

Laat het Koninkrijk der Nederlanden rustig en vrolijk zijn tweede eeuwfeest vieren. Laat er ook tijd en ruimte zijn voor een fundamentele discussie over de vraag of het staatsbestel nog bij de tijd is.