Koninginnedag in de tropen J

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een verhaal uit de bundel

Elvis ligt op Zorgvlied

van Jan Donkers.

Een Nederlandse arts viert koninginnedag bij zijn ex en haar man, verwende expats in de tropen, en hun vrienden.

e komt toch, hè,’ zei Hans, op die toon van hem die nauwelijks met tegenspraak rekening hield. ‘We hebben elk jaar hetzelfde ploegje over de vloer, leuke mensen. Wat diplomaten, wat zakenlui, wat nieuwe jongelui van dat computergebeuren... af en toe hebben we ook iemand van zo’n hulporganisatie, maar een Arts zonder Grens hebben we nog nooit gehad, dus...’

Hij stak de brand in een nieuwe sigaar en keek nadenkend naar de kringelende rook. Ik stond opnieuw op het punt hem uit te leggen dat het niet Artsen zonder Grenzen was waar ik voor werkte, sterker nog, dat ik helemaal geen arts was. Maar ik realiseerde me dat voor Hans iedereen die hier niet óf voor zaken was óf namens het vaderland, gemakshalve een Arts zonder Grens was. Er klonk geen dédain in zijn woorden, eigenlijk alleen gebrek aan belangstelling. Dus zweeg ik maar en knikte.

‘Ja, je moet toch wat?’ vervolgde hij. ‘Ik zie het wel, jij vindt dat raar, Koninginnedag vieren onder de koperen ploert, te midden van de heidenen. Vond ik ook in het begin. Alles went, jongen, laat me je dat zeggen. En met Koninginnedag naar Nederland gaan, dat is ook geen lolletje, hoeveel je ook houdt van de majesteit. Alleen al de gedáchte aan die viezigheid, dat achtergebleven vuilnis op het Damrak, in het Vondelpark. En dan heb ik het nog niet eens over al die zeurpieten in dat land... Geef je nog steeds braaf de helft van wat je verdient weg aan de belasting?’

Ik kende Hans al dertig jaar, sinds de middelbare school. Ik had hem zijn vriendin afgepakt, vond hij toen, hoe Inge ook bleef betogen dat vrouwen recht hadden op een eigen beslissing. Hans was vervolgens naar de tropen vertrokken, op zakelijk avontuur, maar ze bleven contact houden. Toen het uiteindelijk tussen Inge en mij toch misliep, gebeurde er precies wat ik verwachtte: binnen een week zegde ze haar baan op en vloog naar Hans’ tropische paradijs. Business class. Enkele reis.

Alles was in pais en vree gegaan, dus toen ik hun land zou aandoen op een UNESCO-missie (hopeloos project, wist ik van tevoren, gedoemd te mislukken) drongen ze erop aan dat ik kwam logeren. ‘Nee, nee, ik heb een royaal séjour,’ hoorde ik mezelf zeggen door de telefoon. ‘En de organisatie heeft liever dat we in hotels zitten. Qua bereikbaarheid en zo, veiligheid, dat soort dingen...’ Dat begreep Hans. Maar op Koninginnedag, dan rekenden ze op me.

Inge was niet echt veranderd, wat tropisch getaand natuurlijk en gesierd met de bijbehorende rimpels. Stond haar eigenlijk wel, wat rijpheid. Ze kneep net als vroeger hard in mijn heupen bij de verwelkoming. ‘Neuk je nog steeds zo lekker?’ siste ze in mijn oor. ‘Grapje!’ lachte ze vervolgens mijn verblufte blik weg. Ze had Hans twee kinderen gebaard, maar die woonden niet meer thuis, zaten op school in Amerika. Terwijl ze de oranje lampionnetjes rond het zwembad ontstak resumeerde ze hun prachtige studieresultaten en speurde naar afkeer in mijn ogen.

‘Jij vindt dit natuurlijk driemaal niks, dat weet ik wel, maar Hans en ik zijn trots, op de kids, op wat we hier bereikt hebben.’

Op de Hollandse kloostertafel lag een stapeltje Elseviers en weekedities van NRC Handelsblad. ‘Via de diplomatieke pouch natuurlijk,’ verhelderde Hans ongevraagd, ‘anders zou het op het vliegveld al gestolen worden, hahaha.’ Het werd snel donker, maar de temperatuur wilde niet dalen. De overige gasten arriveerden, de Nederlanders waren in de minderheid want Hans legde zijn prioriteit bij ‘gewoon een leuke club mensen’. Zwarte bedienden met witte handschoenen serveerden cocktails. Ik kende niemand. Hans stelde me voor als een ‘ouwe vriend van de familie, nu Arts zonder Grens’. Dat leverde telkens een geamuseerd lachje op. Ik hoefde het niet tegen te spreken, want niemand was geïnteresseerd.

Voor het diner gingen we toch maar naar binnen. Inge vond eten onder de tropenhemel iets voor wereldvreemde Europeanen, ‘geen stijl’ eigenlijk. Aan tafel werd ik naast de vrouw van de Britse ambassadeur neergezet. Al na zeven minuten en twee sherry’s zakte ze in een geroutineerde slaap, het bepoederde hoofdje discreet op de eigen schouder geleund. Dat zou die avond nog een keer of zes gebeuren, en telkens was het Inge die, van de overkant van de tafel, haar wekte door luid haar naam te schallen. ‘Rosie!!’

Ik begon Rosie steeds leuker te vinden. Haar wakker worden geschiedde telkens middels een verbaal gepruttel dat ze gedurende een lang diplomatiek leven had geperfectioneerd, om de schijn in stand te houden dat ze wel degelijk de conversatie had gevolgd. ‘Ik, eh... ben er zeker van... dat de lokale bevolking positief staat tegenover maatregelen die, eh...’ klonk het dan bijvoorbeeld.

Er was wijn uit Zuid-Afrika en bier uit Nederland, maar de meeste mannen dronken whisky tijdens het eten. Inge begon met haar tenen aan mijn kuit te krassen. Hans was steeds nadrukkelijker bezig de hele tafel deelgenoot te maken van zijn oplossing voor de lokale criminaliteit.

‘Naar een kamp met die boefjes,’ baste hij. ‘Koppen kaal en een jaar hard werken. En als ze vrijkomen, hoef je ze maar één ding te zeggen: pas op als ik je weer te pakken krijg. Ja, dan krijg je natuurlijk wel kritische vragen van wie er ook op dat moment de jongen met de grote mond is op BuZa, maar dat moet dan maar...’ Hij keek uitdagend in het rond, maar de tafel gniffelde instemmend. ‘Ik zou het wat diplomatieker formuleren, Hans,’ waagde iemand. Iedereen schaterde. Inge riep luid ‘Rosie!!’

‘Wel, eh, ik eh, ben altijd van mening geweest dat het de toon is die de muziek maakt,’ brabbelde Rosie, wakker wordend, zonder een seconde te missen. Haar bijdrage verwierf algemene instemming.

Toen hij zijn traditionele toost op de koningin wilde uitbrengen was Hans eigenlijk al te dronken. ‘Liefde voor het Oranjehuis... ons allen verenigt... traditie waar elke rechtgeaarde vaderlander... oeps... en natuurlijk ook Máxima. ... en laten we de hockeymeisjes niet vergeten... en dan dat stelletje leeghoofden dat... toost uitbrengen...’ Deze laatste woorden bleken voor Inge het signaal luidkeels ‘Leve de koningin!’ te roepen en na het met algemene opluchting uitgeschreeuwde driewerf ‘Hoera!’ verdween Hans met een euforische vergenoegdheid naar het zwembad waar hij op een stretcher in slaap viel.

Na het dessert ging een jong, zwijgzaam stel van de KLM zwemmen met kleren aan en werd het allengs uitbundiger. De zwarte bedienden ruimden discreet af. De wc beneden was onbruikbaar omdat zich daar een Duitse attaché en een Noorse bacteriologe hadden opgesloten. Inge zette een cd op met Goud van Oud of iets dergelijks en kwam op mijn schoot zitten. ‘Vind je ook niet dat ze stinken?’ vroeg ze toen een van de bedienden voor haar langs reikte om een bord met peuken weg te pakken. Ze bedoelde de bedienden, niet de peuken. Ze keek me lang en uitdagend aan en toen ik niet antwoordde kuste ze me hard op mijn tanden.

‘God, wat haat je me dat ik hiervoor gekozen heb,’ zei ze met diepe maar niet onvaste stem. Ze legde een hand op mijn knie en riep luid om koffie. ‘Haat me maar,’ vervolgde ze, ‘want van me houden kon je niet. Stuntel! Hans, die houdt tenminste van me. De lu-hul!’

Una Paloma Blanca maakte plaats voor Oerend Hard, en Oerend Hard weer voor Dat Kleine Café Aan De Haven. De waakhonden sloegen aan toen Inge met dat laatste lied begon mee te zingen: ‘Daar zijn de mensen blij, en tevreeeee!’

‘Met Leidens Ontzet, dat is pas leuk, dan trekken we ze Volendammer kostuums aan en laten we ze hutspot serveren,’ giechelde ze. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat Rosie in een onverwacht geanimeerd gesprek was met een man die iets hoogs was bij een brouwerij. Inge volgde mijn blik en riep keihard ‘Rosie!!’ ‘Maak je geen zorgen,’ articuleerde het oude vrouwtje kalm, haar conversatie onderbrekend. ‘Ik ben klaarwakker.’ Inge schaterde het uit.

‘En wat is de volgende standplaats van mijn koene Arts zonder Grens?’ Haar bezwete hand op mijn knie voelde opeens aan als een natte vaatdoek.

‘Venezuela,’ zei ik weinig enthousiast. Inge ging meteen rechtop zitten. ‘Weet je dat Ilse daar nu woont? En net gescheiden is? Wacht even, ik zoek haar e-mailadres even op. En haar 06.’ Ilse was Inges zuster, twee jaar jonger maar uitgegroeid tot een heuse beauty. En een nog onbeschaamder goudgraafster. Als ex-Miss Nederland in Venezuela aan een industrieel blijven hangen. Nu op een flatje in Caracas met twee kinderen en een maandelijkse toelage en gedonder over de bezoekregeling.

‘Ik zal haar bellen,’ beloofde ik zwak.

‘Leve de koningin,’ zei ze, maar er klonk iets in haar stem dat het meest leek op dreiging. Diep binnenin mij begon zich een hevig verlangen te ontwikkelen naar Amsterdam, naar viezigheid en achtergebleven vuilnis op het Damrak.