Jury IDFA bekroont bleke films

Het onderscheid ‘creatief-niet creatief’ heeft dit jaar op het documentairefestival eigenlijk zijn betekenis verloren

Song from the Forest van Michael Obert, die gisteren de grote prijs won op het IDFA, is een voorbeeld van het soort documentaire dat steeds meer om zich heen grijpt: de langdurige, zo niet langdradige observatie van iets of iemand, zonder noemenswaardige visie van de filmmaker.

Het International Documentary Filmfestival Amsterdam, dat dit jaar zijn 26-ste editie beleefde en gisteravond eindigde met de prijsuitreiking in het Compagnietheater, is ooit opgericht met de bedoeling de ‘creatieve documentaire’ te bevorderen, die zich onderscheidde van de platte reportages die veel televisiezenders voor ‘documentaire’ lieten, en soms nog laten doorgaan. Dat streven heeft, ook internationaal, enorm succes gehad. Het wemelt – op televisiestations en in de bioscoop – tegenwoordig van de originele, leerzame, amusante en inventieve documentaire films.

Ai Wei Wei. The Fake Case van Andreas Johnsen, dat ook voor de grote prijs was genomineerd, is bijvoorbeeld zo'n film. En Kismet van Nina Maria Paschalidou, een film over de culturele invloed van Turkse soapopera’s in het Midden-Oosten en Griekenland, dat was genomineerd voor de prijs voor korte documentaire. Of Twenty Feet from Stardom van Morgan Neville, over achtergrondzangers in de muziekindustrie, die gisteren zeer terecht de prijs voor beste muziekdocumentaire won. Het zijn stuk voor stuk slim gemaakte en voor het begrip van onze wereld relevante films, die laten zien dat het onderscheid ‘creatief-niet creatief’ anno 2013 eigenlijk zijn betekenis heeft verloren.

Maar helaas: de twee voornaamste jury’s op IDFA 2013 hebben gekozen voor films die, zowel stilistisch als inhoudelijk, een uitermate bleek karakter hebben. Song from the Forest is een stomvervelende film over een Amerikaan die al jaren in de Centraal-Afrikaanse Republiek bij een pygmeeënstam woont. Hij kijkt veel somber uit het raam, en gaat daar mee door wanneer hij de zoon die hij bij een pygmeevrouw verwekt heeft, meeneemt voor een bezoek aan New York. Politiek correct is deze film zeker, maar vrij inhoudsloos: behalve de spleen van die Amerikaan komt de kijker niets te weten.

Ook betreurenswaardig is de keuze van de jury van de prijs voor beste ‘Mid-Length Documentary’. Behalve Kismet deed in deze competitie bijvoorbeeld ook Blood van Alina Roednitskaja mee, over een Russische bloedbank – misschien wel de beste film van het hele IDFA. Maar de prijs ging naar Pussy Versus Putin, over Pussy Riot, dat eigenlijk geen documentaire is, maar een reeks achter elkaar gemonteerde YouTube-filmpjes.

De prijs voor debuutfilms ging dan weer naar zo’n zich voortslepende observatie door een filmmaker zonder inhoudelijke visie: My Name Is Salt van Farida Pacha, over zoutwinning in de Indiase woestijn. De publieksprijs ging, zoals vaak op het IDFA, naar een politiek-correct onderwerp, behandeld met sentiment: Twin Sisters van Mona Friis Bertheussen.

Maar het belang van de prijzen op het IDFA is maar betrekkelijk. Inmiddels hebben toch maar mooi meer mensen dan ooit gekeken naar bijna 300 documentaires: naar schatting (want de vertoningen gaan nog drie dagen door) 222.000, tegen 208.000 vorig jaar. De netto recette steeg naar 1,17 miljoen euro, tegen 1,06 miljoen in 2012. De manier waarop het IDFA de opgelegde kunstbezuinigingen van het Rijk heeft doorgevoerd – niet beknibbelen op voorstellingen, maar schrappen van bijzaken als een tent op het Rembrandtplein en het Gesprek van de dag – blijkt een goede keus: het festival is er niet door geschaad.