Ik moest mezelf waarmaken

Een dirigent is in de kern een asociaal wezen, zegt Marc Albrecht bij een zeetong. „Muziek gaat altijd door en het gaat altijd voor.”

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Marc Albrecht met zijn kat Whiskey: „Om mijn eigen weg te gaan, moest ik mijn vader vaarwel zeggen.”

Hij heeft een paraplu, een fiets, een huis in Amsterdam, twee poezen tegen de muizen in de keuken én een sloep om mee door de grachten te varen. Dus ja, zegt Marc Albrecht (49): „Ich bin ein Amsterdammer.” Drie jaar is hij nu chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest|Nederlands Kamerorkest en De Nederlandse Opera. Hij komt uit Duitsland, was gastdirigent bij orkesten in Milaan, Berlijn, Dresden, en was ooit een van de jongste dirigenten ter wereld. En een van de bekendere.

Eind september was er een klein feestje in de Spiegelzaal van het Concertgebouw. Marc Albrecht tekende voor nog eens drie jaar chefsschap bij. Dat deed hij na afloop van een concert (Brahms en Bruckner). Weleens een dirigent gezien nadat hij twee „XXL-stukken” heeft gedirigeerd? Die is bezweet, asgrauw, uitgeput. „Het duurt altijd een paar uur voor ik weer op de grond ben”, zegt Marc Albrecht later. Die avond probeerde hij, na de contractondertekening, nog een dankwoord uit te spreken. Maar toen dat niet meer lukte, hield hij het bij vriendelijk en heel charmant handen schudden.

Brasserie Flo in Amsterdam. Marc Albrecht zet zijn zwarte herenfiets op dubbel slot tegen de muur in een steeg. Hij begroet me in het Nederlands, ik hem in het Duits, we komen elkaar in het Engels halverwege tegemoet. Zonder dirigentenpak ziet hij er tien jaar jonger uit. Jongensachtiger. Ontspannen. De dag ervoor heeft hij een boottochtje gemaakt met de houtsectie, zegt hij. Met de wat? „De houtblazers. Klarinetten, fagotten, dwarsfluiten.” Trompetten, hoorn en trombones vormen de kopersectie. Het was werkoverleg. Praten over de klank, de kleur, de tempi, de balans van het orkest. „Stimmung”, noemt Marc Albrecht dat. Net als het Nederlandse ‘stemming’ kan dat betekenen: muziekinstrumenten op elkaar afstemmen. Maar ook: in de stemming zijn.

„Muziek is van zoveel factoren afhankelijk. Niet alle ‘ingrediënten’ van de muziek laten zich precies in noten noteren. Het wezenlijke, de betekenis, de innerlijke samenhang van de muziek staat niet in de partituur.” Wunderbar, vindt hij. Zelfs de componist moet afwachten hoe zijn noten worden geïnterpreteerd. „Hij kan niet alles voorschrijven.” Béla Bartók, de Hongaarse componist, probeerde dat wel. „Die noteerde onder de noten: deze 2 seconden aanhouden. Die 4 seconden.” Een dirigent kan het orkest zijn wil opleggen, zijn interpretatie van een muziekstuk. „Maar hoed je voor de diva’s. Die ineens midden in een stuk stoppen. Niet omdat er een rustteken in de partituur staat, maar gewoon om te laten zien dat ze het kunnen: met één gebaar een heel orkest het zwijgen opleggen.” Marc Albrecht zoekt het liefst samen met de spelers naar de mooiste klank.

Het was een goed besluit om in Amsterdam te komen wonen, zegt hij. Dicht bij ‘zijn’ orkest. Op fietsafstand van de repetitieruimte in de voormalige Majellakerk in Amsterdam-Oost. Makkelijk aanspreekbaar voor de orkestleden. Tien jaar lang was hij rondreizend gastdirigent. Dirigeerde in Tokio en Rome. Leerzaam en heel eervol, maar „persoonlijk en artistiek eiste het zijn tol”. Hij haatte de hotels, het heen en weer vliegen, de strakke schema’s zonder vrije tijd. Hij koos voor een „break” van dat bestaan: een vast dirigentschap. „Ik kan me beter concentreren als ik op één plek ben. Nu kan ik me verticaal verdiepen in plaats van horizontaal verbreden.” Misschien geeft het iets verlichting.

Zeven maanden per jaar is hij in Nederland, de overige maanden verdeelt hij over het orkest in Straatsburg waar hij vaste gastdirigent is, en over gastdirigentschappen elders. „Voor de komende vier seizoenen liggen de data voor alle symfonische programma’s vast, er staat voor drie jaar opera gepland, elk repetitie-uur is ingevuld. Ergens in januari ben ik geloof ik een paar dagen vrij.” Dat gevoel van gevangen zijn, being trapped zegt hij, vindt hij het allermoeilijkst. „Maar het is de liefde voor de muziek die me voortdrijft.” Aanvankelijk woonden zijn vrouw (een operazangeres) en zoon van zeventien ook in Amsterdam. Vorig jaar zijn ze teruggegaan naar Duitsland. „Mijn zoon logeert zo vaak hij kan bij mij.”

Hij bestelt, in het Frans, een zeetong en vraagt, in het Engels, om een groene salade vooraf. Hij is rijper, volwassener dan toen hij begon als dirigent, zegt hij. Veel energieker ook. Op zijn 24ste dirigeerde hij in de operahuizen in Hamburg en Dresden, op zijn 29ste werd hij chef-dirigent bij de opera van Darmstadt. Jong, voor een dirigent. Hij knikt. „Ik ben vroeg begonnen, en het kon me niet snel genoeg gaan.” Op zijn vijfde hoorde hij Die Zauberflöte van Mozart en was gegrepen. „Ik had niks met Hans en Grietje op muziek. Ik hield van Der ring des Nibelungen, Tristan und Isolde. Mijn vader vond Wagner geen geschikte muziek voor een kind.” Hij probeerde zijn muziekhonger wat af te remmen. „Maar ik drong net zolang aan tot ik met hem mee mocht.” Zijn vader, George Alexander Albrecht, was dirigent van de Staatsoper van Hannover. „Maar ik wilde meer, meer, meer.” Net als zijn vader speelde hij viool. „Alles eraan vond ik...schwierig”. Moeilijk. „De lessen van mijn vader, het samen oefenen, alles.” Op zijn zevende kondigde hij aan dat hij op piano wilde. „Achteraf een slimme zet. Ik was weg uit zijn territorium, maar toch dicht bij de muziek. En die piano stond er toch. Hij kon er niks tegenin brengen.” Zijn twee jaar jongere zusje speelde fluit. „Behoorlijk goed zelfs. Maar zij is ermee gestopt. Zij heeft de arena aan ons gelaten.”

Hij vertelt dat hij na schooltijd uren piano speelde. Tot zijn moeder, een ballerina, hem naar buiten joeg. „‘Je hebt de zon nog niet gezien’, zei ze dan.” Ik vraag voorzichtig hoe hij, als puber, sociaal lag. „Ganz gut”, zegt hij. „Ik kon namelijk goed voetballen.” Hij doet voor hoe hij als zestienjarige met losse handen fietste en intussen deed alsof hij de tweede symfonie van Brahms dirigeerde. Van zijn vader leerde hij hoe dat moest. „Maar hij moedigde me niet speciaal aan om ook dirigent te worden.”

Zijn vader kwam uit een familie van artsen en zakenlieden. „Hij was de gek die zo nodig de muziek in moest. Hij moest zijn terrein veroveren.” Voor zijn zoon was het een gespreid bedje? Hij knikt aarzelend: „Hij was bang dat als het mij te makkelijk gemaakt werd... dat als ik te vroeg op het dirigeerspoor zou komen...Hij was bang dat ik later spijt zou krijgen. Hij wist dat het meer is dan een gewoon beroep.” Aan de buitenkant, zegt hij, ziet het dirigentenbestaan er misschien glorieus uit. „Maar het vergt opofferingen.”

Verstopt linkshandig

De zeetong arriveert. Hij fileert hem op zijn bord, virtuoos als een chirurg, het mes in zijn linkerhand. De baton (het dirigeerstokje) houdt hij altijd rechts. Hij lacht: „Ik ben verstopt linkshandig. Als ik iets kwijt ben, blijkt het altijd in mijn linkerzak te zitten.” Zijn baton gebruikt hij om „duidelijker te zijn” voor de musici. „De dirigent toont musici de juiste klank. Maar tegelijkertijd ben ik de enige in het orkest die zelf geen geluid produceert.” Schizofreen, noemt hij dat. „Het lijkt een soort pantomime. Met mijn bewegingen anticipeer ik op imaginair geluid.”

Hij kent de partituren van alle instrumenten, zingt alle operatekst geluidloos mee. „Alles repeteer ik eindeloos. Alles, behalve de bewegingen. Die komen vanzelf. Als een reflex. Ik word door de muziek voortgedreven, als een vogel in onstabiel weer.” Pas als hij elke muzieknoot en elk operawoord kent, overwint hij de gêne om op het podium met zijn linkerhand de emotie van de muziek uit te beelden.

Komend jaar staan er tien symfonische stukken op zijn programma, vier opera’s die hij nooit eerder dirigeerde. Enig idee hoeveel tijd het kost om die te leren en tot in detail te bestuderen?, vraagt hij. Maanden. Zo niet jaren. „Elk vrij uur wordt mijn hoofd erdoor in beslag genomen. In vakanties, weekends, altijd.” In de kern, zegt hij, is een dirigent een asociaal wezen. „Muziek gaat altijd door, en het gaat altijd voor. Voor de buitenwereld kan dat iets manisch hebben.”

Hij herinnert zich zijn vader. Afwezig. Onaanspreekbaar. In gedachten. „Op één moment na. Elke dag wandelde hij een half uur. ’s Avonds om half zes precies deed hij de voordeur open. Dan greep ik mijn kans en ging er achteraan. Op een drafje, want mijn benen waren korter. Jaren hobbelde ik zo achter hem aan.”

Vier jaar heeft hij zijn vader niet gezien. Dat was na zijn dienstplicht van achttien maanden (in een psychiatrisch ziekenhuis) en zijn studie aan het conservatorium. „Om mijn eigen weg te vinden, moest ik hem vaarwel zeggen.” Hij vertrok naar Wenen, koos voor eigen repertoire, voerde werk uit van modernere, vooral twintigste-eeuwse componisten. En hij werd niet zoals zijn vader vaste dirigent bij één orkest, maar gastdirigent bij vele. „Ik wilde geen kopie zijn.” Grijnst. „I did it my way.” Het voelde als twee wedstrijden winnen. „Ik moest hém bewijzen dat ik het kon. En ik moest mezelf internationaal waarmaken.”

Nu is hij minstens zo „excellent” als zijn vader ooit was en zien ze elkaar weer. Met Kerst en op verjaardagen. Of hij komt kijken bij een uitvoering. Zelf dirigeert hij niet meer, hij is 79. „Maar hij is nog elke dag aan het werk. Net als mijn moeder.” Zij werd na haar balletcarrière psychoanalytica. Zijn vader componeert. „Hij is opgeleid als componist.” En, kan hij het een beetje? Vluchtige glimlach: „Het was een goed besluit om te gaan dirigeren.”

Ze zijn vrienden nu, collega’s. Hij kwam speciaal over voor het maandagconcert. Ja, hij vond het mooi. Hij grinnikt. „Alleen die tempi..., zei hij. Die zou hij toch nét anders hebben gedaan. Wij praten het best met elkaar via muziek.”