Hiv-eiwit geeft vetkwabben

Een man met een vetophoping in de nek door lipodystrofie. Foto HH

Veel hiv-patiënten klagen over invallende gezichten en opzettende buiken, oftewel lipodystrofie. Dit zou een bijwerking zijn van de medicatie die het virus onder de duim houdt. Zou, want onderzoekers in Houston hebben ontdekt dat het virale eiwit Vpr de boosdoener is (Science Translational Medicine, 27 november).

Vooral de protease-remmers, een klasse antivirale middelen waarmee hiv-patiënten worden behandeld, zouden lipodystrofie veroorzaken. Vet verdwijnt uit het gezicht, armen en billen en verschijnt op de buik en soms in de nek. Ook is het vet- en cholesterolgehalte in het bloed ongezond hoog. Het zijn vooral de uiterlijke veranderingen die veel patiënten dwarszitten. Ze vinden ze hinderlijk ontsierend. Sommigen lijden er zo onder dat ze de medicatie laten staan.

Toch was het de vraag of het wel om een bijwerking ging. Lipodystrofie komt namelijk ook voor bij mensen met hiv die (nog) geen proteaseremmers slikken. Maar aan het virus kon het ook niet liggen, omdat deze veranderingen ook voorkomen bij mensen bij wie het virus uit het bloed is verdwenen. Bovendien worden vetcellen en lever niet door het virus geïnfecteerd terwijl ook daarin grote veranderingen optreden.

Van een bepaald viraal eiwit, Vpr genaamd, was in celkweken wel gezien dat het dezelfde veranderingen veroorzaakt als ook bij lipodystrofie optreedt. Vpr ontregelt de stofwisseling in vet- en levercellen. Daardoor worden vetreserves afgebroken, stijgt het vetgehalte van het bloed toe en neemt de gevoeligheid voor insuline af.

Maar in levende mensen of dieren was dat nog nooit gezien. Daarom dienden de onderzoekers gezonde muizen synthetisch Vpr toe en zagen dat precies dit gebeurde.

Vervolgens ontdekten ze dat dit eiwit ook voorkomt in het bloed van hiv-patiënten bij wie de behandeling zo goed was aangeslagen dat het virus eruit was verdwenen. Dat maakt het aannemelijk dat Vpr de bij lipodystrofie horende veranderingen in de vetstofwisseling veroorzaakt. Een middel dat de werking ervan blokkeert zou dus soelaas kunnen bieden.

Rest de vraag waar het eiwit vandaan komt als er geen virus in het bloed aantoonbaar is. Dat wil niet zeggen dat het virus helemaal weg is. Het leidt een sluimerend bestaan in geïnfecteerde geheugen-T-cellen. Blijkbaar blijft het in die sluimertoestand nog wel Vpr produceren. Huup Dassen