Historisch plein

1730

Het Valeriusplein is een mooie openbare ruimte tussen de Koninginneweg en de De Lairessestraat in Amsterdam. Geen beroemde gebouwen, geen nationale attracties, geen stoeten toeristen of hossende feestgangers, geen mensen die elkaar te lijf willen. Gewoon een goed onderhouden plein. En het heeft een paar bescheiden maar hoogwaardige attracties.

Aan de kant van de Koninginneweg, aan het einde van het grasveld, zie je een half ondergronds bunkerachtig betonnen bouwsel. Het is een openbaar toilet, in de stijl van de Amsterdamse School, een prachtig gebouwtje, sinds tientallen jaren niet in gebruik. Toen ik het voor het eerst zag, ver terug in de vorige eeuw, heb ik geprobeerd er binnen te komen, maar het was dichtgemetseld. Een paar jaar later was er plotseling bedrijvigheid. Er zou een boutique komen, werd me verteld. Het leek me een waagstuk, maar ik wenste de heren het beste. Niet lang geleden kwam ik er weer langs. De ruimte was vol zand gegooid, maar de oorspronkelijke constructie was in onbeschadigde staat, klaar voor de volgende restauratie.

Vroeger stond op dit grasveld een opmerkelijke abstracte sculptuur van Pearl Perlmutter, Het Verschijnsel. Een grillig, wat griezelig object. Eerst heeft het op het Museumplein gestaan, intussen is het weer verhuisd, naar de overkant van de Koninginneweg. Maar het staat er in ieder geval, onbeschadigd.

Twee weken geleden is het gebouw van de Valeriuskliniek gesloten. De psychiatrische inrichting is verhuisd naar een moderner onderkomen, naast het VU medisch centrum. De Volkskrant had een informatief artikel van Jaap Stam waarin hij opsomde welke beroemdheden daar genezing hebben gezocht. Jan Arends (de dichter) en Hein Donner (de schaker) bijvoorbeeld. Han van Meegeren (de kunstvervalser) is er gestorven. Maar weinigen weten dat zich hier ook de finale van een geniale practical joke heeft afgespeeld. Het verhaal dat hier volgt heb ik al eens verteld. Omdat ik het als klassiek beschouw doe ik het nog eens, voor de laatste keer.

Het speelt zich af omstreeks 1950. Bedacht door Dick Sternheim (de columnist). Het slachtoffer is Johan Winkler, hoofdredacteur van Vrij Nederland. Hij had een verhaal gepubliceerd, van een muziekkenner, over Tsjaikovski. Daarin stond dat de componist homoseksueel was. Een paar dagen na de publicatie krijgt Winkler een brief waarin die onthulling met klem wordt tegengesproken. „Mijn oom was fervent hetroseksueel!” Getekend, Wladimir Tsjaikovski, achterneef. „U zult mijn familie en mij een genoegen doen door deze brief af te drukken.”

Winkler denkt: een gek, en stopt de brief in de onderste la. De ochtend daarop, wordt hij gebeld door dokter Aart van Gravestein, geneesheer-directeur van de inrichting Klein Hezenblik. U hebt een brief gekregen van zekere Tsjaikovski? Ja. Delicate zaak! Deze man is een patiënt van ons. Het zou de therapie zeer ten goede komen als u zijn brief afdrukte.

Winkler doet wat hem wordt gevraagd. Dan is Van Gravestein weer aan de telefoon. Hij betuigt zijn dank. Maar er is nog één probleem. Tsjaikovski wil een honorarium. Honderd gulden, op zijn rekening in Klein Hezenblik. Meneer Winkler, doe het. We vrezen voor Tsjaikovski’s leven. En u krijgt dit bedrag meteen weer terug.

Winkler geeft order tot de overschrijving. Een uur later is Van Gravenstein weer aan de telefoon. Alarm! Tsjaikovski is ontsnapt en waarschijnlijk op weg naar Vrij Nederland om bij Winkler persoonlijk zijn honorarium te incasseren. Voorzichtig! Deze patiënt is gevaarlijk. Het weekblad wordt in staat van paraatheid gebracht, maar er gebeurt niets.

Dan wordt Winkler weer gebeld. Niet Van Gravestein is aan de telefoon, maar dokter Korevaar, van de Valeriuskliniek. Zijn collega van Klein Hezenblik heeft hem op de hoogte gesteld. Een paar verplegers van de Valerius zijn erin geslaagd Tsjaikovski op het Centraal Station te pakken. Hij zit nu veilig in de Valerius, maar hij is obstinater dan ooit. Hij eist honderd zilveren guldens, hem door Winkler persoonlijk te overhandigen.

Winkler vertrekt met het gevraagde naar de kliniek.

Intussen gaat in de Valerius de telefoon, voor dokter Korevaar. „Hier Van Gravestein! Een moeilijk geval, collega. Bij ons is een patiënt ontsnapt die denkt dat hij Johan Winkler, hoofdredacteur van Vrij Nederland is, en dat hij honderd zilveren guldens moet afdragen aan de neef van Tsjaikovski die bij u verpleegd zou worden. Wees voorzichtig.” Winkler meldt zich bij de Valeriuskliniek, zegt wie hij is en dat hij honderd zilveren guldens voor de neef van Tsjaikovski bij zich heeft. Hij gaat meteen in de dwangbuis. Het heeft even geduurd voor alles duidelijk was.

Later heb ik Sternheim gevraagd hoe hij dit allemaal had bedacht. Het was niet moeilijk, zei hij. Die Winkler was zo menslievend en goedgelovig. Hij lachte een beetje, hief zijn handen, haalde zijn schouders op en zei: „Ik kon niet anders, ik moest wel.”