Geen Verenigde Staten van Europa alstublieft

Gelijkheid, levenskwaliteit, de rechtsstaat: er is veel om trots op te zijn in Europa. Behoud de diversiteit, federaliseer niet verder en bied zo een alternatief voor het populisme, schrijft Paul Scheffer.

In februari was ik met enkele anderen uitgenodigd om in Brussel te lunchen met de president van de Europese Unie, de Vlaming Herman van Rompuy. Zelden ben ik na een gesprek zo gedesillusioneerd naar huis gegaan: de gastheer was uiterst beminnelijk, daar niet van, maar bleek ook de belichaming van het autisme dat in de Brusselse wandelgangen wel vaker wordt aangetroffen. Veel meer dan een telkens opnieuw herhaald ‘we moeten eerst de euro redden, daarna zien we wel verder’ kregen we niet te horen. Met als toevoeging: ‘We staan met onze rug tegen de muur.’

Nu ik erover nadenk is ‘autisme’ geen goede omschrijving. Waarschijnlijk is ook Van Rompuy gevangen in een situatie die hem boven het hoofd is gegroeid. Hij zal zijn mantra over de euro als een vorm van eerlijkheid hebben gezien: ‘Wat kan ik op dit moment verder nog zeggen?’ En inderdaad, we zijn een fuik ingezwommen en een weg terug is niet echt in zicht. Ten halve gekeerd is beter dan ten hele gedwaald, ook dat gaat hier niet meer op, want een ontmanteling van de eurozone heeft misschien nog wel meer onbedoelde gevolgen dan de invoering van de gemeenschappelijke munt heeft gehad. Niemand weet het zeker.

Elke suggestie van mijn kant om verder te kijken werd door Van Rompuy vriendelijk weggewimpeld: intellectueel wel interessant, maar helemaal niet aan de orde. Dat is ook het refrein dat we uit Den Haag horen: vergezichten zijn niet van belang. De beleidsmakers weten wel dat in het overeind houden van de gemeenschappelijke munt allerlei verreikende keuzen besloten liggen, maar uit angst voor een publieke afwijzing weigeren ze die keuzen te expliciteren. Zo komt achter de rug van alle betrokkenen een ondoorzichtige economische en politieke unie tot stand.

Dat is vragen om moeilijkheden en die moeilijkheden hebben inmiddels een datum: 22 mei 2014, de dag van de Europese verkiezingen. Die beloven een afrekening te worden: het is lang niet uitgesloten dat in Frankrijk het Front Nationaal en de Parti de Gauche de verkiezingen gaan winnen, in het Verenigd Koninkrijk de UKIP en in Nederland de PVV samen met de SP. Kortom, dat het tegen meer Europa gekante populisme van links en rechts een kracht van betekenis gaat worden in het Europese parlement. Daarmee zijn deze verkiezingen – de achtste stembusgang sinds 1979 – waarschijnlijk de eerste verkiezingen die er werkelijk toe doen.

Dat kan overigens nog een paradoxale uitkomst hebben: juist door de politisering van het Europese parlement, waarbij niet alleen voorstanders van meer integratie aan het woord zijn, maar ook een sterke vertegenwoordiging van de pleitbezorgers van minder Europa in Straatsburg zetelt, kan het parlement aan legitimiteit winnen. En het zou interessant zijn wanneer het populisme internationale samenwerking nastreeft, want wanneer het nationalisme internationaliseert is het natuurlijk geen echt nationalisme meer.

Wat ik tijdens die lunch in Brussel meemaakte, was de sluipende moord op de politiek, een vorm van ‘politicide’, om een waarschuwende boektitel aan te halen van Luuk van Middelaar, ironisch genoeg een van de adviseurs van Van Rompuy. Ik ben er al langer van overtuigd dat als politici van de middenpartijen niet met een eigen opvatting over de toekomst van Europa komen, het populisme het enige politieke alternatief zal blijken te zijn. Wat volgt zijn vier bouwstenen voor een ander verhaal over Europa.

1De Europese eenwording heeft lange tijd gedraaid om de binnengrenzen – het befaamde ‘nooit meer oorlog’ – maar zal in de komende decennia meer en meer gaan over de buitengrenzen. De plaats van het oude continent in een nieuwe wereld is ingrijpend aan het verschuiven. Wanneer Europa hulp vraagt aan landen als India, Brazilië en China om de monetaire crisis te overwinnen, dan weten we dat er iets wezenlijks is veranderd. De relatieve invloed van Europa in de wereld neemt snel af.

Die verandering zien we in het afnemende aandeel van de Europese bevolking op het geheel van de wereldbevolking. Dat staat niet op zichzelf: Europa is het enige continent waar de bevolking min of meer gelijk blijft in de komende decennia. Terwijl de bevolking van Amerika in de komende veertig jaar met 36 procent van 310 naar 420 miljoen groeit, blijft Europa dichtbij een nulgroei van 501 naar 517 miljoen inwoners. Tot hoeveel innovatie zijn onze vergrijzende samenlevingen nog in staat, in een tijd die juist om veel verbeeldingskracht en aanpassingsvermogen vraagt?

We keren eigenlijk terug naar de wereld zoals die was rond 1800. Henry Kissinger noemt China niet voor niets een returning power in plaats van een emerging power. De economische macht van India en China was tot het begin van de negentiende eeuw aanzienlijk, anders gezegd: het verhaal over de westerse dominantie is niet ouder dan twee eeuwen. Misschien dat we over vijftig jaar moeten vaststellen dat die overheersing een anomalie is geweest in een veel langere geschiedenis waarin gelijkwaardiger verhoudingen bestonden, die nu langzamerhand weer worden hersteld.

Een nieuw verhaal over ‘Europa’ moet dan ook niet meer Berlijn, maar Bejing als vertrekpunt kiezen, moet niet meer beginnen in Parijs maar in Sao Paulo. Het ‘nooit meer oorlog’ is een vorm van eurocentrisme geworden. Op een onbedoelde manier richt het de blik naar binnen, terwijl het wezenlijke motief voor de integratie buiten het continent ligt. Niet meer de binnengrenzen zouden de belangrijkste zorg moeten zijn in de tijd die voor ons ligt, maar de buitengrens vormt de kern van een nieuwe benadering van de integratie. Zeker is in ieder geval dat de verbeelding van een ‘binnen’ pas mogelijk wordt doordat we ons een voorstelling kunnen maken van een ‘buiten’.

2 Uit die blik van buitenaf leren we nog iets anders, dat van wezenlijk belang is voor een toekomstgericht verhaal over Europa. De verschillen in de wereld zijn namelijk afgenomen, maar nog steeds aanmerkelijk. Kijk bijvoorbeeld naar de Human Development Index, een rangorde van ontwikkeling die door de Verenigde Naties is geïntroduceerd. De top vijf van die index uit 2012 bestaat uit achtereenvolgens Noorwegen, Australië, de Verenigde Staten, Nederland en Duitsland. België staat op plaats 17, Frankrijk op 20 en het Verenigd Koninkrijk op 26. Daarbij steken de zogenaamde BRIC-landen nogal karig af: Rusland op 55, Brazilië op 85, China op 101 en India komt zelfs niet verder dan plaats 136.

De corruptie-index toont een vergelijkbaar beeld: de westerse landen, hoewel zeker niet vrij van dergelijke misdaad, doen het veel beter dan de BRIC-landen. Een paar cijfers: op een lijst van 176 landen nemen achtereenvolgens Brazilië, China, India en Rusland de posities 69, 80, 94 en 133 in. Dat duidt op een erg zwakke rechtsstaat en een daarbij horende cultuur van machtsmisbruik. De situatie in westerse landen is zeker niet ideaal, maar toch wel erg verschillend. De Verenigde Staten staan op plek 19, de drie grote Europese landen, respectievelijk Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bezetten de plaatsen 13, 17 en 22. Nederland neemt een negende plek in op deze ranglijst, België staat op 16.

Zo ontdekken we stap voor stap de verborgen vitaliteit van de meeste Europese samenlevingen: vergelijkenderwijs een hoge mate van gelijkheid en levenskwaliteit, een lage corruptie en redelijk functionerende rechtsstaat, maar ook bijvoorbeeld een urbanisering die gunstig afsteekt tegen de megasteden die in landen als India en China groeien. De trek van het platteland naar de stad vindt daar nu plaats op een schaal en in een tempo dat nog niet eerder is vertoond in de wereldgeschiedenis. De gevolgen van deze razendsnelle urbanisering zijn duidelijk: steden waar het sociale en fysieke milieu onder grote druk staan. Kijk alleen al naar de luchtverontreiniging in Beijing of Harbin.

Voor een deel gaat het om groeistuipen: de ontwikkeling in de niet-westerse wereld gaat zo snel dat de morele en materiële scheefgroei bijna niet te vermijden is. Tegelijk is het wel duidelijk dat bijvoorbeeld de vorming van een stabiele rechtsstaat een lang en moeilijk proces is. Een rechtscultuur kan niet per decreet worden veranderd, het kost veel tijd om de normen daarvan werkelijk in een samenleving te laten doordringen.

Dat zet natuurlijk een rem op economische vooruitgang: in een corrupte omgeving is het nu eenmaal niet gemakkelijk om zaken te doen. Meer in algemene zin is een goed functionerende rechtsstaat bevorderlijk voor de welvaart. In het spreken over Europa ontbreekt ten onrechte dat vergelijkende perspectief: zo wordt de kwaliteit van onze samenlevingen pas zichtbaar.

3 De grote vraag is of deze verborgen vitaliteit van Europa niet mede gelegen is in de diversiteit die het continent kenmerkt. Die vraag zou de kern moeten vormen van het debat bij de aanstaande verkiezingen van het Europese parlement. Moet Europa streven naar een federatie of blijven de nationale staten van wezenlijk belang? Federalisering vraagt immers – zoals alle staatsvorming – op zijn minst om een directe belastingheffing en een geweldsmonopolie, dus een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een leger.

Klaus Mann schreef in zijn autobiografie Het keerpunt: ‘Ik probeerde mijn verlangen een naam te geven, mijn erfgoed en mijn verplichting te benoemen: Europa! Die drie lettergrepen werden voor mij het summum van het schone, nastrevenswaardige, de inspirerende kracht, de politieke geloofsbelijdenis en het moreel-geestelijke uitgangspunt.’ Ook hem is niet ontgaan dat de innerlijke spanningen in Europa zichtbaar zijn en blijven: ‘Dit is de dubbele voorwaarde waaraan Europa moet voldoen om niet te gronde te gaan: het bewustzijn van de Europese eenheid in stand houden en te verdiepen; maar tegelijkertijd de veelvormigheid van Europese tradities en stijlen levend te houden.’

Die veelvormigheid is van minstens even grote betekenis als de eenheid. We hebben een grondwet nodig waarin dat duidelijk wordt vastgelegd. Die vraag naar het einddoel van Europa is altijd ontweken, maar dat kan niet langer. Het moet duidelijk worden gezegd: een Europese Unie met de huidige achtentwintig lidstaten kan nooit een Verenigde Staten van Europa worden en moet dat ook niet willen worden.

Een duurzame unie heeft de legitimiteit van nationale staten nodig en omgekeerd kunnen die staten niet langer functioneren zonder de samenhang die deze unieke samenwerking biedt. Om stabiliteit te scheppen is in de komende jaren een heldere uitspraak nodig over de finaliteit van de eenwording. De Unie heeft niet de beëindiging van de nationale staten tot doel, maar juist de bestendiging van die staten als levensvatbare democratieën, rechtsstaten en verzorgingsstaten. We moeten ontsnappen aan de simpele keuze waarin sommigen het denken over Europa willen dwingen: of een federale staat of een vrijhandelszone.

Anders gezegd: we hebben een grondwet voor Europa nodig, waarin op een limitatieve manier de bevoegdheden van de Unie worden vastgelegd. Dat sluit geen verdere integratie uit, maar dan wel als een bewuste grondwettelijke keuze. Het uitgangspunt daarbij is dat de nationale staten geen deelstaten zullen worden. De Unie heeft alleen een kans om te overleven wanneer het een gemengde orde blijft waarin federale instituties – zoals de Europese Centrale Bank – bestaan naast intergouvernementele vormen van overleg en compromisvorming. Pas wanneer die stabiliteit aan de binnengrenzen is gerealiseerd kan de gemeenschappelijke buitengrens de aandacht krijgen die nodig is.

4 Dat is een bescheiden conclusie over de mate van politieke integratie van Europa en hetzelfde geldt voor de geografische reikwijdte van de Unie. We kunnen een beschouwing over de grenzen van Europa niet afsluiten zonder iets naders te zeggen over de grenzen aan de uitbreiding van de Unie. Vanaf het einde van de jaren zestig zijn rondom de oude continentale kern telkens nieuwe ‘randgebieden’ toegevoegd. Eerst het Westen (Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken), toen het Zuiden (Spanje, Portugal, Griekenland), daarna het Noorden (Zweden, Finland en ook Oostenrijk) en tenslotte het Oosten (Hongarije, Polen, Tsjechië, Slovenië, Estland en Kroatië). De vraag is hoe ver dat kan gaan zonder dat de kern weker begint te worden.

Rusland zal geen lid van de Europese Unie worden, want wie kan de scheefgroei opvangen wanneer een continentale grootmacht als Rusland onderdeel van de Europese integratie zou worden? Verder is het land bepaald niet op weg om een democratie te worden, na al die jaren onder Poetin. Dan zien we nog even af van de talrijke etnische conflicten. De oorlog in Tsjetsjenië heeft een roep om autoritair bestuur zichtbaar gemaakt die de relaties tussen Rusland en het Westen tot een aanzienlijk probleem maken.

De kwestie van een Turks lidmaatschap van de Europese Unie is wel een politiek urgente vraag. Sinds 1999 is veel ten goede veranderd in Turkije, maar de laatste jaren is een terugslag merkbaar. In interviews beklaagt president Gül zich over de afbrokkelende tolerantie in Europa, spreekt harde woorden over de ‘islamofobie’ en zegt van alles over het belang van pluralisme en mensenrechten. Hij zwijgt echter over de beknotting van de vrijheden in eigen land. Toch ligt daar de voornaamste reden voor de snel afnemende steun voor een Turks lidmaatschap.

Als we nu de balans opmaken dan lijkt het duidelijk dat de grens van de uitbreiding is bereikt: noch Turkije, noch de voormalige republieken die bij de Sovjet-Unie hoorden, zoals Georgië en de Oekraïne, noch Rusland zelf mag worden voorgehouden dat een lidmaatschap van de Unie in de komende twintig jaar tot de mogelijkheden behoort. Eigenlijk weet iedereen dat, maar het wordt niet openlijk uitgesproken. Uitzondering vormen de delen van het voormalige Joegoslavië – zoals Servië – die nog niet tot de Unie zijn toegetreden. Die zijn qua ligging en omvang een natuurlijk deel van een Unie, die met dertig lidstaten wel zijn grens heeft bereikt in de komende decennia.

Eerder sprak ik van een heldere uitspraak over de binnengrenzen van Europa die niet meer ontweken kan worden. Er moet meer zekerheid worden geboden over de plaats van nationale staten in de toekomstige Unie. Hetzelfde geldt voor de buitengrens: zonder een heldere uitspraak daarover blijft de onzekerheid voortduren. Wil de Unie enige stabiliteit brengen aan haar buitengrens dan moet een moratorium worden afgekondigd op verdere uitbreiding. Daarover moet duidelijkheid ontstaan, want de versoepeling van de binnengrenzen vraagt om een versteviging van de buitengrens.