Geen trui zonder visser

Pas sinds 1875 dragen Nederlanders truien. Vissers ontdekten het moderne kledingstuk in Engeland. Elk vissersdorp kreeg al snel zijn eigen breistijl. Maar die dorpse breiregels stonden lang niet altijd vast, zag onderzoekster Stella Ruhe.

Trui uit Maassluis. De horizontale visgraten zijn typisch voor dit vissersdorp. Alle hier afgebeelde truien zijn recent gebreid naar oude voorbeelden. Alle foto’s, ook die van de vissers, uit het besproken boek.

Visserstruien werden nooit gewassen. Ze werden vrijwel nooit uitgetrokken. Ook in de kooi hielden de Hollandse vissers de trui aan. Ze moesten toch na vier uur weer op. Het vuil en vet in de trui had een groot voordeel. Het maakte de truien warm en winddicht. Als een visser gewond raakte en in een ziekenhuis terecht kwam, moesten de trui en de onderkleding met olie worden losgeweekt. Soms was de kleding met de huid vergroeid.

Textielonderzoekster Stella Ruhe kan smakelijk vertellen over de Hollandse visserstrui. In Visserstruien uit 40 Nederlandse vissersplaatsen doet zij verslag van haar onderzoek naar visserstruien gedragen tussen 1880 en 1940.

Bekend was dat specifieke patronen bij bepaalde vissersplaatsen hoorden. De vrouwen leerden de motieven van hun moeders en keken ze van elkaar af. „De vrouwen hadden de patronen in hun hoofd, ze werden niet opgeschreven.” Vissersdorpen waren gesloten gemeenschappen, de patronen bleven in het dorp.

Ruhe probeerde zoveel mogelijk verschillende patronen te achterhalen. Maar tijdens haar onderzoek merkte ze tot haar verrassing dat patronen uit bepaalde vissersdorpen ook elders opdoken. Ook vond ze foto’s met mannen uit één dorp die truien droegen met totaal verschillende patronen. En er werden truien zonder patroon gedragen. Ze wilde weten hoe dat zat.

De zoektocht naar de geschiedenis van de visserstrui was niet eenvoudig. Vooral omdat de dorpelingen zelf de truien puur als gebruiksvoorwerpen beschouwden. Er werd nauwelijks iets vastgelegd of bewaard. De truien werden bovendien tot op de draad opgebruikt. „Mensen waren arm en hadden meestal maar één trui. Hooguit nog een pronktrui voor op zondagen.”

Ruhe zocht naar foto’s in archieven, privé-collecties en bij historische verenigingen. Ze interviewde inwoners van de vissersdorpen over hun grootouders, en speurde in musea in verschillende vissersplaatsen. „De visserstrui werd door niemand gezien als onderzoeksobject. Er was weinig oog voor. In het museum op Texel beweerden ze aanvankelijk dat vissers geen lokaal gemaakte truien droegen, maar kielen. Tot ze door mijn vragen gingen zoeken. Toen vonden ze toch een foto van een visser in een Texelse visserstrui.”

Ruhe is niet de eerste die de truientraditie van de Nederlandse vissers onderzocht. In 1983 verscheen het boek Nederlandse visserstruien van Henriëtte van der Klift-Tellegen. Van der Klift-Tellegen wilde, net als Ruhe, de visserstruien, en vooral de patronen, beschrijven en bewaren. Zij beschreef truien uit 15 vissersplaatsen. Ruhe deed uitgebreider onderzoek en vond truien uit 40 plaatsen. Zelf zegt ze dat ze „net op tijd” was, om de visserstrui veilig te stellen voor de toekomst.

Eind negentiende eeuw droegen de vissers nog zelfgebreide truien. Het T-model was strak, dat was warmer. De truien waren meestal blauw, beige of zwart. Ruhe denkt dat die kleur wol het meest voorhanden was. „Ze zullen er niet bijzonder over hebben nagedacht. Het was werkkleding.” De trui was meestal versierd met patronen.

Visserstruien zijn bepaald niet oerhollands. Cruciaal voor de ontwikkeling van de visserstrui was de opheffing van het kaakverbod in 1857. De haring mocht sindsdien aan boord van het schip gekaakt (gefileerd en gezouten) worden en werd zo langer houdbaar, waardoor de vissers langer konden wegblijven. Verder varen werd ook mogelijk door de komst van de kielschepen, zoals de logger in 1870. Met die schepen konden Nederlandse vissers gaan vissen bij Schotland en Engeland, waar meer vis en ook haring te vangen was.

De Nederlandse vissers droegen toen weliswaar gebreid ondergoed. Daar overheen droegen ze kielen. De Schotse en Engelse vissers droegen truien. Toen de Nederlanders dat zagen, waren ze snel om. Rond 1875 namen de Hollanders de trui over. Die zat veel comfortabeler en was warmer dan de kiel. Kielen waren wijd en daardoor gevaarlijk. Ruhe: „Als vissers ergens achter bleven haken en over boord sloegen, waren ze dood.”

Smock

De truien van de Engelse vissers waren gebaseerd op de smock, een linnen kiel met rimpels, die met borduurwerk werden vastgezet. Onder die kiel werden traditioneel rondgebreide (op vier of vijf pennen, dus zonder naden) truien gedragen. Iemand moet op het idee zijn gekomen om die truien te gaan dragen als bovenkleding. De mouwen waren kort zodat ze niet in de weg zaten bij het werk. De truien hadden een strak model, want dan zaten ze lekker warm. Er werden motieven in recht en averecht in gebreid om ze nog een beetje op de smock te laten lijken.

Die truien werden het eerst gebreid op Guernsey, een van de Engelse Kanaaleilanden, beschrijft Ruhe. Daar was breien sinds de zestiende eeuw al een kleinschalige industrie. Truien werden toen met de hand gebreid. Het Engelse woord jersey voor tricot, komt van het Kanaaleiland Jersey. Vanaf de Kanaaleilanden vinden de truien hun weg langs de Engelse kust. Hoe noordelijker, hoe ingewikkelder de patronen. „Dat was niet alleen voor de mooi. Ook om de borst en de longen te beschermen tegen de kou. Patroonbreien kost meer wol en is dus warmer.”

In Nederland vond Ruhe geen verband met temperatuur. Toch waren de motieven uit de Zeeuwse dorpen veel eenvoudiger dan de rijke motieven van kabels, golven, visgraten, bliksemschichten en vlaggen van de Zuid-Hollandse eilanden. „Zeeuwen hadden weinig contact met andere vissers. En het heeft met geld te maken: hoe kaler de trui, hoe armer de visser.”

Vissersdorpen als Scheveningen, Katwijk, Noordwijk, Vlaardingen, Bunschoten-Spakenburg, Arnemuiden en Urk hebben een heel specifieke trui. Bij de Scheveningse trui bijvoorbeeld, begint het motief halverwege het voorpand. De truien hebben een zigzag of golfrandje aan de onderkant van het patroon en de mouwen zijn glad. Tegelijkertijd was geen trui precies hetzelfde – „elke breister gaf binnen het dorpspatroon haar eigen touch.”

De patronen bleven niet binnen het dorp. „Niet de plaats waar de man vandaan kwam, maar de plaats waar de vrouw vandaan kwam, was bepalend voor de trui”, zegt Ruhe. Trouwde een man met een vrouw uit een andere plaats, dan nam de bruid haar eigen patronen mee. Bovendien, zegt Ruhe, „breiden de vrouwen vooral wat ze zelf mooi vonden.”

Daarnaast reisden de vissers ook, ontdekte Ruhe. Ze vond bijvoorbeeld in het Katwijks Museum foto’s van de bemanning van de Katwijkse loggervloot. De vissers droegen truien met verschillende patronen. „Katwijk had geen eigen haven. De Katwijkse loggervloot lag destijds in de haven van Vlaardingen. Doordat vissers uit heel Nederland op die vloot voeren, waren de patronen ook verschillend.”

Goedkope truien

Maar op foto’s zag Ruhe ook opvallend glad gebreide truien. Waar kwamen die vandaan? Het waren goedkope Engelse truien, ontdekte ze. Die werden speciaal voor de Nederlandse markt machinaal gebreid. Deze truien waren doorgaans geheel glad gebreid, met een ‘godsoogmotief’ op de borst. Als de boorden bij de hals en de handen kapot gingen, breiden de vrouwen de machinaal gemaakte truien wel zelf op.

Door haar onderzoek relativeert Ruhe het bekende verhaal dat een visser herkend kon worden aan zijn trui. Ja, het kwám wel eens voor. „Een mevrouw op Urk vertelde me dat haar opa verdronk en aanspoelde in Egmond aan Zee. Hij werd geïdentificeerd aan de hand van zijn trui.” Maar juist door de uitwisseling van motieven was er ook vaak aan de hand van de trui niets te zeggen over de afkomst, zegt Ruhe. „Zo bezien is het een mooie mythe.”

Na de Tweede Wereldoorlog werd er steeds minder gebreid. Mensen konden meer geld besteden en kleding kopen in plaats van zelf maken. De laatste jaren is er een brei-revival. Breisters en breiers (want die zijn er tegenwoordig ook) vinden in het boek van Ruhe een zestigtal patronen voor visserstruien. Ze zijn gerangschikt naar dorpen en kusten waar ze vandaan komen. Ruhe zou het liefst nog een breiboek maken met moderne truien met de oude motieven. Ruhe: „Dat is de enige manier om het erfgoed levend te houden.”

Expositie ‘Visserstruien opnieuw gebreid’ in het Katwijks Museum t/m 31 december. Boek ‘Visserstruien’ van Stella Ruhe, uitgeverij Forte, 176 pagina’s, € 25. visserstruien.nl