Extreemrechtse en extreemlinkse flanken

Er is iets raars met het Europees parlement. Omdat burgers in de loop der jaren – terecht – klaagden dat ze weinig inbreng hadden in de Europese politiek, kreeg dat parlement steeds meer macht. Maar hoe meer macht het kreeg, hoe meer standing het verloor bij de kiezers. In 2009 kwam maar 36,5 procent van de Nederlandse kiezers opdagen, in 2004 39,1 procent. Het Europees gemiddelde ligt rond 40 procent.

Sommigen voorspellen een hogere opkomst bij de Europese verkiezingen in mei 2014, omdat er meer proteststemmers in de benen zullen gaan. De crisis heeft de sociale ongelijkheid vergroot en de euroscepsis versterkt. Mensen zouden eerder geneigd zijn een protest- of antipartij naar Brussel te sturen dan naar de gemeenteraad. Als die politici er weinig van maken, is het tenminste ver weg en heeft de kiezer er weinig last van. Integendeel: hoe meer schade de politici Europa berokkenen, hoe gelukkiger de kiezer daarmee is.

Sommige Europese leiders beginnen te waarschuwen dat een sterke score van populistische partijen in mei alles moeilijker maakt in de Europese politiek. „Zij die beweren dat hun land alléén succesvol kan zijn”, zei Europees president Van Rompuy, „verkopen illusies”. Dat vrij personenverkeer in Europa moet worden ingeperkt – wat premier Cameron nu ook bepleit – is zo’n illusie: „Slechts 3 procent van de Europeanen woont in een andere lidstaat.” Voor elke Pool in Londen zitten er bovendien twee Britten aan de Costa del Sol.

Tot dusver kregen extreme partijen weinig voor elkaar in Brussel. Ze zijn klein en verdeeld, waardoor ze niet als ‘politieke familie’ optreden zoals de socialisten, conservatieven en liberalen. De Britse Ukip en de Deense Volkspartij vinden het Front National antisemitisch. De PVV is geen lid van de European Alliance for Freedom, de Oostenrijkse FPÖ en Vlaams Belang wel. Maar de partijen beseffen dit, en werken aan betere coördinatie. Andere families hebben hier trouwens ook last van, wat hen niet belet invloedrijk te zijn. Zo zit de VVD in een liberale groep geleid door Europees federalist Guy Verhofstadt.

Dat het Europees parlement straks sterke extreemrechtse en extreemlinkse flanken krijgt, is duidelijk. Maar het kan ook positieve effecten hebben. Het kan centrumpartijen dwingen minder tijd te besteden aan achterhoedegevechten over baantjes en de zoveelste berisping van Sri Lanka, en meer tijd te besteden aan dingen die ertoe doen – zoals crisisbestrijding en het formuleren van een coherent buitenlandbeleid dat kan verhinderen dat Rusland, China en Amerikaanse data-snoopers over ons heen blijven lopen. Ook kan het politieke centrumpartijen in lidstaten eindelijk aanzetten om de kiezer niet langer naar de mond te praten, maar ook eens de goede dingen van Europa te benadrukken. Uit angst voor de kiezer dwingen die partijen hun (kandidaat-)europarlementariërs nu soms om eurosceptische standpunten te verkondigen waar ze helemaal niet achter staan.

Eurosceptici mogen zeggen wat ze willen. Maar waarom is de rest zo stil? Europa gaat over ons, zoals Den Haag óók over ons gaat. Alleen klagen over „zakkenvullers in Brussel” is een simplificatie. Het leidt enkel tot meer ontevredenheid en scheert langs de essentie: als Nederland in deze keiharde wereld wil overleven, heeft het Europa nodig. Vriendelijk verzoek dus aan alle kiezers om in mei 2014 uit de luie stoel te komen en te gaan stemmen. Europa kan niet vooruit op onderbuikgevoelens alleen.

Caroline de Gruyter schrijft op deze plek elke zaterdag over Europa en politiek.