‘Eh’ is een fantastisch woordje

De Nederlandse taalpaus Jan Renkema neemt afscheid als hoogleraar. Zijn bijbel, de Schrijfwijzer, ligt op het bureau van bijna een half miljoen mensen. Maar Renkema is zeker geen taalpurist. „Het is juist interessant wat er mis kan gaan.”

Renkema: „Schrijven is een hoogcognitieve vaardigheid.” Foto Katrijn van Giel

In de bescheiden voortuin van Jan Renkema in Bergeijk zijn tuinmannen aan het werk. Ze zetten een paar plantenbakken neer, maar er gebeurt intussen van alles met de „krachtlijn” hebben ze Renkema beloofd. „Krachtlijn. Mooi toch?” Het woord maakt van de tuinman in één klap een hovenier.

Als de verslaggeefster terugkomt van de wc vraagt hij: „Waarom zei je eigenlijk ‘wc’ en niet ‘toilet’?” Ja, waarom eigenlijk. Renkema denkt even na, over de betekenis van het woord in relatie tot de boodschapper. „Wc, ik zou daaruit afleiden dat die persoon op de schaal van nuchterheid hoog nuchter is.”

Jan Renkema is, al zal hij dat zelf ontkennen, de taalpaus van Nederland. In 1979 verscheen zijn eerste Schrijfwijzer, vorig jaar kwam de vijfde druk. De taalbijbel ligt op het bureau van bijna een half miljoen mensen die beroepshalve of voor hun plezier schrijven. Alle studenten Nederlands – tot in Korea en Spanje aan toe – hebben zijn boek Tekst en uitleg. En zonder Jan Renkema zouden we misschien nog steeds niets van onze belastingformulieren begrijpen.

Een gesprek met Jan Renkema kan dus een beetje voelen als een tentamen. Hij weet het ook, dat mensen in zijn nabijheid soms last van taalfaalangst krijgen. „Jammer. Ik let ook niet de hele tijd op mijn woorden. Ik vind niet zo snel iets fout, het is juist interessant wat er mis kan gaan.”

Hij is de eerste om zijn eigen autoriteit te relativeren. In de vijfde druk van Schrijfwijzer schreef hij in het voorwoord: „Ik doe deze bekentenis alleen in dit voorwoord dat toch door bijna niemand word gelezen. In de vorige editie stond ergens word waar wordt had moeten staan, zoals in de zin hiervoor!”

Onderweg hiernaartoe hoorde ik op de radio minstens acht keer het woord participatiesamenleving.

„Op het congres van Onze Taal werd het met 25 procent van de stemmen gekozen als mooiste woord. Tja. Leuk gezelschapsspel hoor, maar ik vind eigenlijk alle woorden mooi. Ook het woordje ‘eh’. Dat vind ik een fantastisch woordje.”

Wat is er mooi aan ‘eh’?

„Dat er nog niks gebeurt. Dat de mond langzaam opengaat, dat je aan het nadenken bent. Hoe meer ‘eh’ hoe mooier. ‘Verschrikkelijk’. Dat vind ik een verschrikkelijk mooi woord, ook omdat je het zo verschrikkelijk mooi kunt uitspreken. Als er klanknawerking in een woord zit, raakt het aan poëzie. Als de vorm de inhoud versterkt, wordt het soortelijk gewicht hoger.”

Waar komt uw fascinatie voor taal vandaan?

„Ja, fascinatie. Laatst had een interviewer het over ‘passie’. Toen dacht ik: nou ja, passie... Passie wordt vaak zo lelijk gebruikt. Jammer eigenlijk, want het heeft wel een mooie laag: aan passie lijd je ook. Fascinatie is verstandelijker. Als ik een slechte tekst lees, dan vind ik dat eigenlijk heel erg. Iemand doet zó z’n best en dan schrijft hij dít op.”

Waren uw ouders taalgevoelig?

„Mijn moeder wel. Die las mij gedichten voor van De Génestet. En ik ben als tienjarige lang ziek geweest, toen heb ik veel gelezen. Als mijn moeder, een ontwikkelde vrouw, re-únie zei, in plaats van reünie, ergerde ik me daaraan. Taal was ook een afleiding van de inhoud. Dan las ik in de krant twee zinnen: ‘oude man steekt met brommer over en verongelukt’. Wat je je daarbij voorstelde: braaksel, bloed op het asfalt, radeloze vrouw en kinderen... dat allemaal in twee zinnen. Als je dan op de taal gaat letten, heb je tenminste iets om je hersenen mee af te leiden.”

Waarom wekken taalfouten zoveel emotie op, zoveel woede?

„Omdat het zo moeilijk is om iets over de inhoud te zeggen. Als wij op een terras naar mensen kijken, beoordelen we iemand op uiterlijkheden. Zo wordt tekst ook vaak beoordeeld op make-up; spelfouten, komma’s. Ik voer al mijn hele leven debatten over ‘hun hebben’. ‘Groter als’. ‘Het boek wat’ in plaats van ‘dat’. Maar waarom zou het fout zijn? ‘Wat’ is ook logisch: in het Middelnederlands is het plaatsbepalend voornaamwoord al overgegaan van d naar w – ‘het huis daar ik woon’ werd ‘het huis waar ik woon’. ‘Dat’ is het enige voornaamwoord dat nog moet volgen.”

Renkema wordt 65, werkt graag in afzondering, thuis in zijn studeerkamer waar alleen het getik van de pendule klinkt. Hij betrapt zich erop dat hij soms even geen ‘taalaanbod’ wil, liever naar klassieke muziek luistert. Hoe houdt hij feeling met de taal van nu? „Ik word wel ouder, ja. En je kunt niet alles volgen. Maar ik spreek veel mensen uit het veld. Of de begrafenisondernemer uit het dorp belt: ‘Jan, kan dit wel?’ En ik spreek veel studenten natuurlijk.”

Gaat de taalvaardigheid van studenten achteruit?

„Lastig; je kunt het niet meten en je hebt te maken met de oordelende persoon. Er zijn ook veel meer studenten dan vroeger, uit alle lagen, ook waar taal geen topic is. Mij valt op dat ze geen zinnen kunnen formuleren, maar in een tweet wel heel compact kunnen schrijven. Taal is ook conventie. Als ze mailen: ‘Hoi meneer Renkema’, dan corrigeer ik ze. Als het om spelling gaat ben ik heel streng. Ze mogen elk spellingsysteem kiezen, als ze maar consequent zijn. Ik ben geen goedwillende lezer. Aan multiple choice doe ik niet. Als je iets niet goed kunt uitleggen, beheers je de stof niet.”

Waarom is goed schrijven zo moeilijk?

„Schrijven is een hoogcognitieve vaardigheid. Niet voor niets heb ik een kamer die zo’n beetje geluidsdicht is. Ik heb veel gewerkt met ambtenaren die stukken schreven die de minister niet kon lezen. Dat was onthullend. Als mensen moeite hebben met de inhoud, komen ze maar tot de helft van de communicatie, ze scheiden iets af dat de lezer niet bereikt. Dat is zo’n merkwaardig geheim eigenlijk, dat schrijfproces. Wat je moet doen om de tekst zich voor de lezer te kunnen laten openvouwen.”

Kunt u nog onbevangen naar taal kijken?

„Ik ben alleen maar meer verwonderd. Ik zie taal als een gegeven: als een feit en als een gift, een cadeau. Of ik nou bij de slager ben of waar dan ook, ik vind het altijd fantastisch. Ik ben altijd op vakantie in de taal. En hoezo afkeuren? Wat is er mis met ‘de dag die ik wist dat zou komen’ van het Koningslied? Ik denk dan: het lijkt wel Middelnederlands.”

En uw eerste reactie? Helemaal geen ergernis?

„Nee, nee echt niet. Ik ergerde me eerder aan de oppervlakkige kritiek op dat lied. Met songteksten is zo vaak wat mis, zelfs heel goede cantates van Bach hebben soms teksten waarvan ik denk: nou ja.”

En het is, zal Renkema bij zijn afscheid betogen, een constructie die we ook honderden jaren geleden al in onze taal zagen: ‘Judas mijn apostel, die ik bekende te wesen’. ‘De dag die ik wist dat zou komen’. „Dat je zo’n bijzin ‘die ik wist’ omhoog kunt halen direct na ‘de dag’. Dat hebben niet veel talen. Heel intrigerend, en waarom doet iemand dat?”

Doet u nog nieuwe ontdekkingen?

„Jahaa. Eh... hoe leg ik dat nou uit. Dat móet ik goed kunnen uitleggen... Gesteld dat je twee zinnen hebt: ‘Economen houden zich niet bezig met hebzucht. Ze hebben geen geesteswetenschappen in hun programma.’ Dan kun je daar ‘want’ tussen zetten, als oorzaak of als reden, maar ook als motivatie: economen zouden geesteswetenschappen in hun programma moeten hebben. Die motivatie geldt dan als een rijkere interpretatie. Voor dat cement tussen twee zinnen heb ik op de valreep nog een wetenschappelijk model ontwikkeld. Dat is leuk.”

Toen vorig jaar de vijfde druk van Renkema’s Schrijfwijzer verscheen, ging Marc van Oostendorp, collega-hoogleraar in Leiden, er met gestrekt been in: de Schrijfwijzer was ouderwets, gaf geen antwoord op nieuwe vragen, was „bang voor nieuwe media, bang voor oude zeurkousen, bang om iets uit te leggen, een bang boek.”

„Dat heeft mij zeer geraakt. Alles wat je van mij kunt zeggen: ik ben níet bang. Inmiddels debatteren we weer in uitstekende harmonie, maar toen dacht ik: wat is hier aan de hand, ik word persoonlijk gevloerd. Als je zegt, dit boek is niet nodig, mijn nichtje heeft er niks aan, dan misken je de normonzekerheid van de taalgebruiker. Schrijven is zó moeilijk.”

Of is het omdat u het zegt. Lokt uw gezag kritiek uit?

„Maar ik zoek dat niet op. Als mensen zeggen: het is zo omdat Renkema het zegt, probeer ik ze direct op de tenen te trappen. Niet omdat ik niet ijdel ben. Maar het leven is sterker dan de leer. Als je dat niet ziet, hou je niet van taal, dan hou je van regels.”

Taalfetisjisten en -puristen trekken u graag in hun kamp.

„Ja, dan zeggen ze: ‘Jan, het loopt de spuigaten uit met het Engels.’ Dan zeg ik: ‘So what!’

Ze verwachten dat u stelling neemt.

„Ze zeggen soms: Jan, maak jij een nieuwe spelling, jij hebt het gezag. Ik heb dat ernstig niet overwogen. We hebben wel een beter Groen Boekje gemaakt, het eerste boekje van de Witte Spelling. Maar toen dat weer iets officieels werd, vond ik het net de protestantse kerk: wéér een afsplitsing. En waar praten we over? Het verschil is 600 woorden. Al die aandacht voor spelling. Jonge jonge, hou daarmee op.”

U bent geen purist.

„Nou ja, ik zeg wel wat van nodeloos Engels. Ik vind feeling soms beter dan ‘contact’. Maar als iemand nodeloos Engels gebruikt, om indruk te maken, dan spring ik op de ketting. Wij heten Tilburg University, daar heb ik jaren tegen te hoop gelopen. Alsof buitenlanders het niet begrijpen als er Universiteit van Tilburg staat.”

Een hoogleraar vasculaire geneeskunde zal na zijn emiraat enige moeite hebben om contact te houden met zijn vak. Dat is anders voor de hoogleraar tekstkwaliteit, taal is overal. „De taal gaat niet weg en ik ga niet weg van de taal.” Renkema werkt nog aan de Chinese vertaling van zijn Texture of Discourse. Hij reist veel als voorzitter van de Vereniging Internationale Neerlandistiek. Hij wil bijles geven op een middelbare school in Eersel. „En dan stiekem hopen dat de leraar Latijn of Grieks uitvalt.”

U hebt zich uitentreuren beziggehouden met de tussen-n, de tussen-s, met zestien varianten van het liggend streepje. Wat is u favoriet?

„De punt. Oja, de punt. Wat er op de punt gebeurt. Tussen twee mededelingen, tussen twee zinnen, of tussen een zin van u en mij. De punt is het scharnier. Alles zit in die korte, ondeelbare stilte.”