Dit zijn Arie en Japie.

Ze moeten dood

Reportage

Varkens Arie en Japie worden in Katendrecht neergezet om bewoners bewust te maken van de herkomst van hun vlees. Als blijkt dat de varkens naar de slacht moeten komt de buurt in opstand. Een reconstructie.

tekst Marleen Luijt

foto’s Yara van der Velden

graphic Bas Huissen

Vlees komt van dieren en daarom moeten dieren dood. Sterker nog: sommige dieren, zoals varkens, bestaan alleen vanwege hun vlees. Met een maand of zes gaat een varken naar de slacht, dan levert hij het meeste op. Na een half jaar kosten zijn voer en onderdak meer dan hij oplevert.

Wie bewust met de herkomst van zijn voedsel bezig is wordt vegetariër of koopt alleen ‘goed’ vlees. Wie dat niet wil, neemt een mooi verpakte filet. Dat het ooit een dier was is niet meer te zien, en hoeft niemand meer te zien.

Rianne Andeweg en Gerda Zijlstra willen „niet meer wegkijken”, zeggen ze. Via Elles Kiers en Sjef Meijman organiseren ze dat er twee varkens naar Rotterdam komen. Hun organisatie, Rotterdamse Oogst, staat voor een zo klein mogelijke afstand tussen boer en bord. Een groep van achtentwintig zal ze verzorgen – de ‘varkensboeren’. De twee varkens krijgen een naam: Blonde Arie en Slome Japie, uit liedjes over de wijk Katendrecht, waar Arie en Japie staan.

Het doel van het tijdelijke project is tweeledig: weten waar je voedsel – in dit geval vlees – vandaan komt en een ‘fijne plek creëren in de wijk’. „Ik wil mijn vlees in de ogen kunnen kijken”, vertelt Andeweg. „Kan ik dat niet, dan is de consequentie dat ik geen vlees meer eet.”

Gaan mensen anders over hun eten nadenken als ze zelf twee varkens grootbrengen? En wat doen de twee varkens met de buurt? De buurt heeft niet om de beesten gevraagd.

Een reconstructie van de laatste weken van Arie en Japie.

20 september 2012, de geboorte

In het Drentse dorpje Peize worden op 20 september 2012 twaalf biggen geboren. Moeder Aafke zoogt ze acht weken, daarna verhuizen er twee naar Veenhuizen, twee dorpen verderop. Voor 100 euro per stuk worden ze verkocht aan de eigenaar van hun vader Stijn. Namen hebben de Bonte Bentheimers, zoals het ras heet, nog niet. Het duo gaat door het leven als ‘de boefjes’. Varkens zijn altijd enthousiast als ze eten krijgen, maar deze twee zijn wel heel druk en lawaaiig. Ze blijken ondernemender dan het gemiddelde varken, herinnert hun verzorger Sjef Meijman zich. „Ik dacht: die passen wel in de grote stad.”

Want als ze zeven maanden oud zijn, begint een nieuw leven in Rotterdam. Van de weilanden naar een met houten pallets omheind stuk grond in de wijk Katendrecht, dat met regen één grote modderpoel wordt.

Een van de achtentwintig stadse varkensboeren is Lot Piscaer (38). Ze heeft een man, twee kinderen en is freelance tekstschrijver. Ze woont in een nieuwbouwhuis op ‘de Kaap’, zoals de wijk wordt genoemd. Ook de andere varkensboeren behoren veelal tot de ‘nieuwe Kapenezen’. De oude bewoners zijn grotendeels lager opgeleid en wonen in sociale huurhuizen.

Piscaers voederbeurt is zondagavond. De voederbak moet gevuld worden, het gft-afval in de kliko gesorteerd en de waterbak opnieuw ingegraven. Dat klusje zou ze in een kwartier kunnen klaren, maar zij doet er eerder een half uur over. „Dan zeg ik ‘hoi’ tegen Arie en Japie, ga er even zitten en kijk naar de dieren. Het is een rustgevende plek.” Ze vindt de varkens leuk, maar ook dat buurtbewoners elkaar er ontmoeten. „Ik heb in de eerste drie weken van het project meer mensen uit de wijk gesproken dan in de drie jaar dat ik hier woon.”

Half oktober, het verzet

In de zomer loopt een 59-jarige vrouw door Katendrecht. Ze wandelt ook buiten de wijk, in Rotterdam-Zuid. In haar hand heeft ze velletjes papier met daarboven ‘Red de varkens op Katendrecht’. Ze vraagt mensen op straat om hun handtekening te zetten, >> >> maar ze belt ook aan. Behalve bij bovenwoningen met enkel een trap. „Dan kan ik niet snel wegkomen als het een gek is.” Om diezelfde reden wil ze haar naam niet in de krant. Je weet maar nooit. Het resultaat: half oktober een pakket met 2.800 handtekeningen.

Met de actie wil ze voorkomen dat Arie en Japie naar het slachthuis gaan. Wanneer mensen van Greenpeace aanbellen om leden te werven, zegt ze: „Wat jullie doen is goed, maar ik ben al bezig met de varkens te redden.”

De vrouw loopt dagelijks langs Arie en Japie. Dan rennen de varkens luid knorrend naar haar toe. Tussen de middag geeft ze de varkens rijst of pasta of iets anders wat over is, ook al mag dat eigenlijk niet. Ze vindt het belachelijk dat de varkens dood moeten.

Truus de Boer, een actrice van 36 jaar, begint met de Facebookpagina ‘Red Arie en Japie’ een soortgelijk initiatief. Ook zij is verbaasd is dat de varkens tijdelijk in de wijk verblijven. Bij het veldje staat nergens dat ze geslacht worden. Zijlstra en Andeweg zijn „geen activisten” en willen de bezoekers de mogelijkheid geven de varkens te voeren, zonder hoeven na te denken wat er met Arie en Japie gebeurt. „Je kunt ervoor kiezen niét te denken aan dat ze geslacht worden.”

De eerste vraag die mensen bij het veldje aan elkaar stellen is: wat gebeurt er met ze?

Als reactie op het toesturen van alle handtekeningen, brengt Gerda Zijlstra een brief bij de 59-jarige vrouw. Telefoon heeft ze niet, internet ook niet. In de brief staat onder andere dat er niets tegen de slacht valt te doen, ook niet 2.800 handtekeningen. En dat het sowieso lastig, zo niet onmogelijk, wordt om Arie en Japie langer te houden, omdat die „niet meer zo benaderbaar zijn”.

De brief staat ook op de Facebookpagina Red Arie en Japie, met de kop: ‘Zo wordt de mening van 2.800 mensen van tafel geveegd’.

Een week later. In de nacht van donderdag op vrijdag 25 oktober schrikt Piscaer wakker. Ze heeft gedroomd dat de varkens gekidnapt zijn. Een paar dagen daarvoor heeft ze op de pagina Red Arie en Japie gelezen over kidnapplannen.

Piscaer heeft gemengde gevoelens bij de weerstand die sommigen hebben. „Heel lief dat die vrouw zoveel handtekeningen ophaalt, maar ik weet zeker dat die mensen niet allemaal biologisch eten of vegetariër zijn. Ze heeft zelf twee hondjes die vlees eten. En als we de varkens laten leven, wat dan? Wie gaat ze verzorgen, ze kunnen 15 jaar worden. Waar moeten ze naartoe? Op het veldje waar ze nu staan komen huizen.”

Ze vindt het zetten van een handtekening „nogal makkelijk”.„Waarom zou je deze varkens willen redden? Dit zijn de meest verwende varkens van Nederland.”

Lies Klaus, een 42-jarige meubelrestaurateur, weet wel een plek waar de varkens naartoe kunnen: een boeddhistisch retraitecentrum in Friesland. Ze stelt het begin oktober online voor. Dat is niet de bedoeling van het project, krijgt ze te horen. Toch zit ze nog met wat vragen. Woensdagochtend 30 oktober spreekt ze af met Rianne Andeweg en Gerda Zijlstra. Behalve aan de deur bij de vrouw van de handtekeningen heeft de organisatie geen enkel fysiek contact gehad met de versplinterde groep tegenstanders. Die zeggen los van elkaar dat de organisatie nergens voor openstaat, de organisatie zegt niet goed te begrijpen wat de critici willen.

Klaus vindt het „een leuk gesprek, beter dan via Facebook communiceren”. Na het gesprek „is ze klaar met dit”. Het project is van de achtentwintig varkensboeren en van hen is niemand opgestaan tegen de slacht. „Ik wil geen onrust stoken. En wie ben ik als buitenstaander?” Ze is een do-it-yourself- type en ze houdt gewoon niet van „van bovenaf opgelegde initiatieven”.

Op vrijdagavond 22 november vindt er onder leiding van schrijver Ernest van der Kwast een debat plaats over Arie en Japie, waarvoor Lies Klaus ook is uitgenodigd. Op de Facebookpagina verscheen het volgende bericht: ‘Wie wil er mee om bij de bloed- borrel verbaal te gaan protesteren tegen de gang van zaken?’ Klaus is de enige aanwezige die niet vóór is (maar ook niet tegen). Maar wat ze ervan vindt, komt nauwelijks ter sprake. Van der Kwast is vooral geïnteresseerd in iets anders, namelijk dat Klaus dieren opkoopt om ze daarna vrij te laten. Dat doet ze onder meer met paling en wilde zeebaars, het geeft haar een fijn gevoel.

13 november, Laatste Avondmaal

De slacht nadert, maar de precieze datum weet slechts een select clubje. Het vertrek moet geen „schreeuwpartij” worden. Omdat de kinderen uit de buurt zich zijn gaan hechten aan de varkens, is er op 13 november een verwendag. Een aantal varkensboeren heeft taart, groenten en stokbrood voor ze meegenomen. De buurtkinderen die veel buiten zijn, gooiden in de eerste weken stenen naar de varkens en klommen op hun hok, ook ’s avonds als ze sliepen. Dat stopte „na veel uitleggen”, daarna eigenden de kinderen zich de varkens toe, bepaalden wie die dag de baas was over ze.

Ze hebben deze dag geen voedsel meegenomen voor Arie en Japie, maar een spandoek met daarop ‘nee nee nee, de varkens gaan niet mee’. Een filmploeg van Villa Achterwerk loopt achter ze aan terwijl ze ‘nee’-roepend om het veld lopen.

De kinderen vragen voor de camera aan Rianne Andeweg hoe de varkens worden doodgemaakt. Ze heeft het niet precies nagevraagd bij het slachthuis maar ze denkt met een schietmasker, vertelt ze. Dan krijgt het varken een kogel door z’n hoofd.

Ene Peter Staal zegt op Facebook: ‘Ik denk dat er binnenkort op de Kaap wel een aantal traumateams ingezet kunnen worden, om de kinderen te helpen bij de verwerking van het verlies van Arie en Japie.’

15 november, de slacht

Er blijkt geen schietmasker, zoals Andeweg vertelde,te worden gebruikt bij slagerij Otto in Heijningen. Als Japie als eerste uit >> >> de stal het gangpad in loopt, staat een man met een witte jas en een soort badmuts klaar met een Y-vormige stang. Het ‘stroomkanon’ zet hij op zijn kop, Japie valt meteen op zijn zij. Hij wordt aan één achterpoot omhoog getrokken, een man snijdt zijn keel open om het bloed eruit te laten lopen.

Rianne Andeweg hoort Arie aan de andere kant van de deur knorren en piepen. Hij is een stuk moeilijker door het gangpad te loodsen. Hij kan zijn broer Japie al zien hangen. „Toen moest ik even slikken”, zegt ze.

De man maakt pompende bewegingen met de voorpoten van Japie, zo loopt het bloed er sneller uit. Dan gaat het varken in een soort grote trommel, waar zijn haren eraf gaan. Het ding schudt een beetje en maakt een kloppend geluid. De laatste haren worden met een varkenshaarbrander weggeschroeid. Om ’m aan te steken, staat er een brandende kaars op tafel. Dat vindt het groepje dat mee is gekomen voor Arie en Japie een mooi gebaar.

Als ook de ingewanden eruit zijn gehaald en er een half uur later een schoon, gesplitst varken aan zijn achterpoten hangt, lijkt het al bijna vlees.

Die middag, als Andeweg met Gerda Zijlstra door de stad loopt, is ze zich heel erg bewust „van wat ze heeft gedaan. Ik vroeg me af of mensen aan me konden zien dat ik net een dier gedood had, of nou ja, had laten doden. Ik voelde me een moordenaar.”

Dat schuldgevoel verdwijnt gelukkig snel weer.

23 november, het diner

De varkensboeren laten zich de varkenshaas, worst, procureur en tong goed smaken tijdens het diner. Ze voelen geen emotionele band met het stuk vlees op hun bord, zeggen ze. Alleen de vriend van Myrthe Schillings is er niet bij: „Hij zegt ‘ik vind het hypocriet van mezelf, maar ik kan Arie en Japie niet eten’.”

De meeste varkensboeren hebben bewust geen band opgebouwd tijdens het voederen. Erwin Gouw: „Ik heb ze wel geaaid, maar ze niet bij de naam genoemd. Ik zei ‘hallo’ en dan ging ik weer weg.” Sommigen weten niet eens wie Arie en wie Japie was.

Andeweg en Zijlstra vinden het lastig om te bepalen of ze dingen fout hebben gedaan. Maar, stellen ze: er is in de wijk meer gegeven dan kapot gegaan dankzij dit project. „Het was een half jaar een heel prettige omgeving en we hebben het vertrouwen kunnen geven dat je dieren kunt houden in de stad”, zegt Andeweg.

Bij het diner wordt alweer druk gespeculeerd voor welke nieuwe dieren het nu tijd is. Veel stemmen gaan naar kippen.

Op Facebook zegt Peter Staal dat hij in elk geval nooit meer naar de „killing fields gaat op Katendrecht”. En Lucy Diepstraten „hoopt dat er geen vervolg meer komt op dit project met andere dieren”.

Tijdens het debat zegt iemand: „Er zijn dieren om te knuffelen en dieren om op te eten. Dat is hier vertroebeld geraakt.”

Wie eet er nou een dier dat hij kent? „Ik zag na het inladen van de varkens hoe erg een van de jongens het vond, ook al riep hij in die eerste weken om het hardst of hij ook spareribs mocht eten”, vertelt varkensboer Lot Piscaer. „Met al onze goede bedoelingen en eerlijke uitleg konden we daar gewoon niet zo veel aan doen. Midden in ons gesprek, dat stokte omdat ik volschoot, liep hij weg zonder iets te zeggen.” <<