De vroege vleeswording van Sint Nicolaas

Illustratie uit ‘Sint Nikolaas en zijn knecht’ van Jan Schenkman (1850). De knecht draagt een Turkse broek.

Weer Zwarte Piet? Weer Zwarte Piet. Want er zijn nieuwe raadsels, nieuwe overwegingen en nieuwe feiten. De AW-redactie speurde verder naar de oorsprong van het kereltje in de grote databanken: kranten.kb.nl, books.google.com en dbnl.org. En correspondeerde in drie rondes met drie deskundigen: de neerlandicus Frits Booy, de musicoloog Henk van Benthem en de volkskundige John Helsloot. Alle drie publiceerden eerder indringend over Sint Nicolaas en zijn knecht. Je kan ze klazologen noemen. Petrologen, desgewenst. Maar makkelijk zijn ze niet.

Zoals inmiddels ook de VN-Veiligheidsraad weet vierden Nederlanders vóór 1850 Sinterklaas zonder dat de Sint zelf in beeld kwam. Er waren wat uitzonderingen, maar dat is de hoofdlijn. Katholieke kinderen konden wel raden hoe-ie eruit zag (een bisschop met een mijter en een staf) maar niet-katholieke kinderen dachten er niet eens over na. Hoe ziet Sint Maarten eruit?

Dan opeens komt de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman in 1850 met Sint Nikolaas en zijn knecht, een kleurig maar naïef geïllustreerd boekje waarin niet alleen Sint Nicolaas handelend optreedt maar ook: een knecht. Een zwarte knecht. Een zwarte knecht in een vreemd kostuum (wijde broek, kleine schoentjes, reversloos jasje), een kostuum dat binnen een paar jaar vervangen wordt door een ander kostuum: het vermaarde pagepakje (kousen, pofbroek, plooikraag, muts met veer) dat nooit meer zou verdwijnen. Totally out of the blue.

Waarom, waarvoor, waardoor deed Schenkman dat. Hoe ontstaat zo’n idee en was het wel Schenkman die het kreeg. Daar gaat het om.

Het nieuws is dat al aan de vleeswording van de onzichtbare Sint Nicolaas is begonnen rond 1840, zo’n tien jaar vóór dat Schenkman van start ging. De primeur ligt bij de Amsterdamse uitgever/schrijver G.J. d’Ancona. In 1840 brengt deze de Brief van St. Nicolaas aan zijne vriendjes en vriendinnetjes, in 1842 komt hij met de St. Nicolaas Almanak voor brave kinderen met plaatjes waarop de ‘inhaling’ van SN is te zien en ook het ‘Sint Nicolaas-Kantoor’. Tenminste: dat zeggen grote advertenties in het Algemeen Handelsblad. En dat het een nuttig, aangenaam en verrassend geschenkje is. Maar het boekje zelf is onvindbaar. Het boekje is weg. O gruwel.

Wat stond er op die plaatjes? Werd SN in zijn eentje ingehaald, zat hij in zijn eentje op kantoor? Niemand die het weet. Wie schreef de tekst? Was het Georgius d’Ancona zelf of trad Schenkman op als ghost writer? Vreemd genoeg publiceerde de laatste in 1852 óók een Brief van Sint Nikolaas aan zijn vrienden, wat intiem contact suggereert of unverfroren naäperij. En, mysterieus: in 1849 verschijnt bij D’Ancona het scatalogisch werkje Alleenspraak op het secreet dat ene J.S. als auteur vermeldt. Liep Schenkman ook warm voor poep?

Het blijft essentieel meer inzicht te krijgen in zijn overwegingen en bedoelingen. Of die van uitgever G. Theod. Bom, natuurlijk, want vaak ligt het initiatief bij de uitgever. Ook Bom zal begrepen hebben dat je zo’n SN een tegenspeler meegeeft du moment dat je hem laat aankomen, inhalen, inkopen doen en het dak op klimmen. Dat is verteltechnisch wenselijk. Bommel heeft zijn Poes, Snip haar Snap, Sjors zijn Sjimmie.

Maar waarom zwart? Er zijn folkloristische verklaringen voor aangevoerd, maar ’t kan ook zonder folklore. Bom hád gewoon wat met zwarte mensen. In 1846 publiceert hij De zonderlinge lotgevallen van Hans Kijk-in-de-wereld waarin een zwarte knecht zomaar om niks wordt uitgescholden. In 1848 brengt hij het ABC-boekje Wie kan het AB hier raden waarin onder de letter O over een zwarte bediende wordt gezegd: „Ik hou van geen zwarten, Al hou’k van een’ moor.” Een paar jaar later figureert in Het vrolijke prentenboek voor kinderen een zwarte zeeman die op een schoorsteenveger lijkt en zich misschien wel nooit wast. Vlak daarvoor komt dan Schenkman met zijn zwarte knecht. Het zwart heeft geen enkele andere functie dan: een onverwacht element in het verhaal.

Of een onverwacht element in de illustraties. Want een eigenaardigheid van Bom was dat hij soms verhalen liet spinnen rond illustraties die er al waren. Afgelopen week bleek dat in Het avontuurlijke leven van Peter Vucht (1847) zomaar plaatjes van Mijnheer Prikkebeen van Rodolphe Töpffer zijn opgenomen. Prik en Dikkie in ongekende context, je gelooft je ogen niet. Prikkebeen was op dat moment in Nederland nog niet uitgegeven, dus het kón nog en Bom aarzelde niet.

Het staat dus vast dat Bom de Histoire de M. Cryptogame van Töpffer kende en dus ook wist hoe Arabieren en dergelijke er destijds uit zagen. (Hij wist het trouwens ook van de fraai geïllustreerde werken over Egypte en Syrië die hij verkocht.) Prikkebeen belandde in Algerije tussen de ‘Algériens’, maar Töpffer noemt ze met evenveel gemak ‘Turcs’ of ‘Maures’. Moren dus. En deze Turken of Moren dragen heel wijde broeken. Idioot wijd. Net zo wijd als de broek van de knecht van SN in 1850.

De broek-van-de-knecht-van-SN is de sleutel tot het Zwarte Pietraadsel. Het is onmiskenbaar wat destijds een Turkse broek heette. Ofwel, we citeren Ewoud Sanders (Geoniemenwoordenboek, 1995): een zoeavenbroek. Henk van Benthem was de eerste die opperde dat met de donkere knecht van 1850 misschien niet primair een zwarte Afrikaan is bedoeld, maar een ‘Turk’ in toenmalige betekenis. Van Benthem dacht aan de Saracenen die voorkomen in de roman Ivanhoe.

Van de weeromstuit denkt de AW-redactie dat ook een mameluk kan zijn bedoeld. Ook mamelukken droegen verbazend wijde broeken. Napoleon bevocht ze rond 1798 in Egypte, lijfde er vele in in zijn leger en benoemde er één tot zijn lijfbediende: Roustam Raza. Die werd het toonbeeld van trouw. Toen Napoleon in oktober 1811 op zijn schimmel Amsterdam binnenreed reed Roustam Raza achter hem. Tot in 1846 kon je in circussen kijken naar het paardennummer ‘Napoleon en zijn mameluk’. Want mamelukken waren krijgshaftige ruiters. Het is misschien geen toeval dat de knecht van 1850 op een steigerend paard is afgebeeld.

Maar met tekeningen van Prikkebeen tussen de Moren van Algerije op het bureau van uitgever Bom gaan de gedachten makkelijk een andere kant op: de kant van de zoeaven, die zich rond 1830 heldhaftig hadden verzet tegen de Franse kolonisatie van Algerije maar later, zoals de mamelukken, eveneens werden opgenomen in het Franse leger. En zoals de mamelukken: in hun oorspronkelijke kledij. Rond 1845 wordt er in de Nederlandse kranten meer geschreven over zoeaven dan over mamelukken. Zij spraken tot de verbeelding, die al zo geprikkeld was door de Vertellingen uit de duizend en één nacht die toen veel aftrek vonden. Sanders beschrijft hoe het in Nederland na 1860 nog een hele zoeavencultuur doet ontstaan, compleet met dames in zoeavenbroeken en zoeavenjasjes.

Het optreden van de zoeaven in de Krimoorlog (1853-1856) had ze extra heldenstatus gegeven en dat was ook Jan Schenkman niet ontgaan. In 1854 publiceert hij een „belangrijke brief van een’ Amsterdamschen Jood” die eerst, zwart gemaakt, op kermissen was opgetreden als Bosjesman en later was geronseld voor het Franse zoeavenlegioen. Maar dat is vier jaar na het verschijnen van het vermaarde Sinterklaasboekje.

Is dit alles? Ja, op dit na: in 1860 besluit de paus, die we voor de gelegenheid de bisschop van Rome noemen, zich voortaan te laten beschermen door een regiment zoeaven, de Zuavi Pontifici. Ze waren gekleed als de Franse zoeaven, maar in grijze jasjes met rode biezen. Als Schenkmans knecht een zoeaaf is, was de bisschop van Myra de paus tien jaar voor.