De muziek is stilgevallen

Vlak voor zonsondergang haasten alle inwoners van Bangui zich naar huis. In de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek is vrijwel ieder licht gedoofd. Na het vallen van de duisternis moeten de bewoners waken over hun bezittingen en hun moeders en dochters behoeden voor verkrachting. „Iedere familie heeft wel een slachtoffer sinds de chaos toesloeg in maart na de machtsovername door de Séléka”, vertelt Jean, een hoogleraar van wie de universiteit al maanden is gesloten.

Bangui oogt als een typische koloniale nederzetting van de Fransen. Er staan meer bomen dan huizen. Het is petit, zonder hoogbouw, met een paar lommerrijke avenues genoemd naar Franse grootheden en twee patisserieën. Aan de Avenue de Charles de Gaulle langs grensrivier de Oubangie waait de wind over verlaten terrasjes, ooit aantrekkelijk drinkplaatsen voor de inwoners. In Bangui riekt het nu naar massamoord.

Over de straten razen pick-ups van woeste Séléka-strijders, daarna een vrachtauto met Afrikaanse vredessoldaten, gevolgd door tanks van het Franse contingent. De enige veilige plaats is de kleine luchthaven, bewaakt door 400 Franse militairen.

Binnenkort zullen extra Franse soldaten uitwaaieren over het geteisterde land van 4,5 miljoen inwoners. Dat zal vermoedelijk het einde inluiden van Séléka-leider Michel Djotodia. In wanhoop verklaarde hij onlangs ‘s nachts niet meer te slapen, omdat hij geen controle heeft over zijn strijders die dorpen afbranden en plunderen. Djotodia is een machteloze president want de Afrikaanse Unie erkent geen staatshoofden die met geweld hun positie verkregen.

Iedereen die ik sprak, smeekt om een buitenlandse interventie. Maar hoe zullen de diverse eenheden van Séléka daarop reageren? Het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek vertoont karakteristieken die niet eerder gezien zijn bij burgeroorlogen in Afrika. Voor het eerst kwamen de boeven aan de macht zonder enig plan om het land te besturen. De Séléka ontstond niet uit ideologische motieven maar uit de begeerte goud- en diamantmijnen te controleren.

Bovendien bestaat de alliantie goeddeels uit huurlingen uit de islamitische buurlanden Tsjaad en Soedan. Samen met hun geloofsgenoten in het ruwe noordoosten van de Centraal-Afrikaanse Republiek baanden ze zich een weg naar Bangui. Tijdens hun opmars versterkten ze zich met diamanthandelaren, kindsoldaten en criminele bendes. Ze beroofden kerken. Door de islamieten te ontzien trokken ze de moslimminderheid in hun kamp en creëerden zo een niet eerder bestaand religieus conflict.

De furie van de christenen tegen moslims vormt nu het grootste gevaar. De zelfverdedigingsmilities van de Anti Balaka vallen vrachtauto’s van moslims aan en executeren hen. Waarna Séléke-strijders steevast een dorp afbranden. Trekt de Séléka zich in het aangezicht van een Franse overmacht straks in de weelderige bush terug om een guerrilla te beginnen? En hoe reageren de buurlanden wanneer geloofsgenoten doelwit worden van meer represailles?

In Bangui worden die vragen nog niet gesteld. De bewoners voelen zich bezet door buitenlandse huurlingen. Vanaf een heuvel die neerkijkt op Bangui hoor ik rechts schoten, links muziek uit een lege nachtclub. Ik schrik van de constatering dat ik tijdens mijn verblijf van twee weken, nergens muziek heb gehoord. Als de Afrikaanse muziek niet meer klinkt, is er iets heel erg fout.