De dans van het kamermeisje

Als ze haar werk slecht doet, valt ze pas op. De beste kamermeisjes zijn onzichtbaar.

foto's Robin Utrecht

Liselotte Walta heeft een bedrijfstic: de uitgestoken wijsvinger. Ze priemt ’m naar voren als we kamer 324 binnenlopen van het Amsterdamse hotel Sofitel Legend The Grand. (Tussen kloppen en binnengaan moet minimaal 20 seconden worden gewacht en twee keer luid en duidelijk ‘Housekeeping’ worden geroepen.) Terwijl ze me geanimeerd te woord staat, glijdt haar vinger langs plinten en deuren, over boekenruggen en bedranden, onder bureaulades, tafelbladen en gordijnroedes. Geen oppervlak blijft onaangeroerd.

Liselotte is altijd op zoek naar stof. Ze is Assistant Executive Housekeeper van het hotel dat dit jaar na een bloedstollende wedstrijd werd uitgeroepen tot Schoonste Hotel van Nederland. De jury roemde „het oog voor detail” van haar ploeg, en Liselotte noemde de prijs in haar dankwoord „de bekroning van ons werk”.

Ze leidt een strakke hiërarchie van veertig schoonmaakmedewerkers die het hotel kraakhelder houden. Er zijn kamermeisjes (en -jongens), supervisors, executive housekeepers, een trainingsmanager en enkele housemen die het zware sjouwwerk en de distributie doen van linnengoed en handdoeken. Housekeeping heeft misschien wel de lastigste taak in een hotel. Ze moeten hun werk zo onzichtbaar mogelijk doen: alles moet worden schoongemaakt zonder dat de gast daar last van heeft. Als in een stiekeme rondedans draaien ze rond de dagelijkse beslommeringen van de gast, volgens het weerhuisjesprincipe: gast eruit, kamermeisje erin. En vice versa. „Hoe minder we gezien worden, hoe beter.”

Luchtverfrisser

Een standaardkamer moet in twintig minuten tot een half uur zijn schoongemaakt. Dat gaat volgens een vaste route. Eerst wordt het bed afgehaald (bedden vergen de meeste tijd) en worden de vieste oppervlakken (wc, afstandbediening, lichtknopjes) met een schoonmaakmiddel uit de categorie ‘R1’ behandeld. Terwijl dat intrekt wordt met een ‘R2’ de rest gekuist, waarna ‘R3’ de delicate voorwerpen (glazen, glimmende voorwerpen) doet glanzen. Alles wordt afgestoft en rechtgezet, handdoeken worden vervangen en badjassen volgens een speciaal origamiprincipe gevouwen. Badkamerspullen worden, als waren het militairen op appèl, in het gelid geplaatst. Deuren en plinten worden op koffer- en schoenstrepen gecheckt (indien het niet kan worden schoongemaakt wordt de huisschilder gealarmeerd) en ook de dakgoot wordt niet overgeslagen, want rokers laten daar het liefst hun peuken achter. Uiteindelijk dweilt en stofzuigt men zich achterwaarts een weg naar buiten, poetst de deurknop, spuit met een luchtverfrisser en klaar.

Binnen het uur wordt de kamer gecheckt door een supervisor met zo’n gestrekte wijsvinger. Die krijgt daar tien minuten voor. Dan pas klinkt het ‘all clear’.

„Haar komt samen in de hoeken”, vertelt het kamermeisje van het Negresco hotel in Nice. „Alleen daaraan kan ik al bijna blindelings aflezen welke gast in welke kamer logeert. Ik zou zo als detective aan het werk kunnen. Hercule Poirot, c’est moi. Zelfs zonder dat ik op de kleding of persoonlijke spullen afga. Man of vrouw (mannen gebruiken nooit watten), lang of klein (waar worden de handdoeken teruggehangen, welke planken worden gebruikt voor de kleding), oud of jong (de laatst gekozen televisie- of muziekzender en is het bad gebruikt of de douche: jongeren gaan zelden in bad), zakenreiziger of vakantieganger (zakenlui gebruiken de kamer efficiënter), rechtshandig of links (aan welke kant van het bed wordt er geslapen?) en ga zo maar door.”

Als ik de volgende dag mijn kamer binnenkom, is ze bezig. Ze excuseert zich en laat me alleen. Ik zeg dat het oké is dat ze doorgaat, ze loopt me niet in de weg, maar dat doet ze niet. Ze mag het niet eens. Ik erin, zij eruit. Zo zijn de regels.

„Is dat een Strauss-Kahn-effect?”

„Non non”, zegt ze, „dat was daarvoor ook al”. Kamermeisjes praten liever niet over de verkrachtingsaffaire uit 2011. Kamermeisjes praten überhaupt liever niet, en helemaal niet over wat ze meemaken of aantreffen. Horen, zien en zwijgen.

Ik vraag naar de troep die gasten soms maken. Denk aan de combinatie rockster en uit het raam gesmeten televisies. „Ach, wat is troep? Wat is vuil?”, zegt Liselotte. „Alles valt schoon te maken. We hebben alles al eens meegemaakt. Van pizza aan het plafond kijken we echt niet meer vreemd op.”

Een kamermeisje in het Waldorf Astoria in Chicago wil alleen kwijt dat sportlui („vooral NBA-basketballers”) nogal wilde feesten geven en tussentijds niets willen laten schoonmaken. Die krijgen dan vaak een naheffing voor extra schoonmaak- en herstelwerkzaamheden.

„En hoe zit het met poep en pies en seksresidu’s? Of lijntjes coke op het nachtkastje of anderszins verboden spullen zoals een pistool?”, vraag ik. Dat wordt allemaal discreet afgehandeld. Als het te bar en boos is, of om verboden middelen gaat, wordt de eigen veiligheidsdienst ingeschakeld. Die praten dan met de gast in kwestie. Het ultieme middel is dat de gast het hotel wordt uitgezet.

Om acht uur begint in Sofitel Legend The Grand de dagelijkse schoonmaakmeeting, de dag wordt doorgenomen en de taken verdeeld: wie doet wat, arriveert er een vip, zijn er speciale wensen, dat soort dingen. De medewerkers trekken hun uniformen aan, alsmede het gezonde schoeisel – kamermeisjes zijn de enige vrouwelijke medewerkers die niet verplicht zijn minimaal 5 centimeter hoge hakken te dragen. En dan: poetsen maar, de hele dag door.

En is het werk klaar, dan is het nog niet gedaan, want bij de betere hotels begint rond vijf uur ’s middags de turn down-service: het klaarmaken van de kamer voor de nacht. Chocolaatje op het kussen, bed opengeslagen als een enveloppe, gordijnen toe, slofjes naast het bed, handdoeken gevouwen, spullen recht, minibar vol, badkamer gelapt (spiegel niet vergeten!), rustgevend muzakje op de radio.

Tippen

En hoe zit het eigenlijk met fooien? Juist door de onzichtbare aard van het werk schiet die er nog wel eens bij in. Regels zijn er niet. Sommige hotels leggen bedelende envelopjes neer met daarop ‘Your room was cleaned by …’, maar goede hotels vinden dat niet chic. Nu eens laten gasten geld achter op de kamer, dan weer geven ze het af bij de receptie ter verdeling. Maar meestal wordt er niet getipt. Terwijl de salarissen toch niet behoren tot de allerhoogste belastingschijf, om het zwak uit te drukken.

Ooit was ik uitgenodigd in New York voor een feestje van de Venezolaanse modeontwerpster Carolina Herrera. Bij het uitchecken zag ik dat ik door mijn dollars heen was. Ik graaide in mijn tas, stuitte op de flacon Herrera-parfum uit de goody bag van het feestje en gaf deze aan het kamermeisje. Ze heette Consuela en keek me verbouwereerd aan. Ik dacht een faux pas te hebben gemaakt, haar beledigd te hebben, maar ze begon hartverscheurend te wenen. Als Venezolaanse immigrante was Carolina haar grote held, snikte ze. Nooit had ze ook maar durven dromen een parfum van haar te kunnen kopen. Haar dankbaarheid werd gênant toen ze mijn hand kuste.

Een jaar later logeerde ik in hetzelfde hotel. Consuela en ik vielen elkaar in de armen. Ze vertelde dat de flacon op een ereplaats staat in haar huis, op de schoorsteen. Ik bedoel maar: don’t forget to tip the maid!