Alsof je een emmer leegt

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: verstrooien.

Mijn broer strooide alsof hij zout over een glad stoepje verspreidde. Mijn dochters deden het heel voorzichtig, zoals je meel uit een bus schudt. En mijn Goede Vriend (die toen hij naast mijn vaders sterfbed stond nog mijn Huidige Verkering was) liet de as een sierlijke boog in de lucht maken.

En ik? Volgens mijn Goede Vriend goot ik de as uit de urn. „Als het Melkmeisje?”, opperde ik. „Toegewijd en sereen?” „Nou, eerder alsof je een emmer leegde.”

Die ochtend had hij me een scène uit The Big Lebowski laten zien: de onhandige kolos Walter Sobchak staat op een zonnige dag op een rots met in zijn handen een koffieblik, daarin zitten de stoffelijke resten van zijn goede vriend en bowlingpartner Donny. Achter hem staat The Dude, beneden ligt de blauwe oceaan. De golven moeten de as van zijn vriend, die zo van surfen hield, meenemen. Alleen blaast de wind – je voelt ’m aankomen – de as recht in de baard van The Dude.

Maar die mop kende ik al. Dertien jaar geleden had ik ook op dit strooiveld gestaan. Op dezelfde plek: laantje F, bij de boom waaronder ook mijn grootouders waren uitgestrooid. De as van mijn moeder, net kattengrit, zat in een speciale verstrooier van het crematorium. Als je aan een hendel trok, opende de bodem zich. Ik mocht het doen. Net als in The Big Lebowksi stak er een windvlaag op. Nog één keer was mijn moeder all over me.

„Mensen in loondienst cremeren hun ouders op zaterdag en gaan op maandag weer naar kantoor”, schreef ik na de dood van mijn vader. Dat is al weer bijna twee jaar geleden. Blijkbaar had ik het druk met dingen. Want waarom heb ik nu pas de as van mijn vader verstrooid? Officieel ben ik niet eens meer in de rouw.

Voor de dood van een vader of een moeder staat een periode van anderhalf jaar, las ik in Rouwdagboek van Roland Barthes. De Franse denker begon de dag na het overlijden van zijn 84-jarige moeder met het noteren van zijn gedachten op systeemkaartjes. Dat dagboek was ik gaan lezen omdat de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau (1978-2013) het – notabene de dag voor zijn dood – had aanbevolen in een interview. Hij prees het, omdat Barthes „niet anders kan dan in clichés praten over het enorme verdriet dat hem getroffen heeft”. „Dat vind ik absoluut troostend”, zei hij.

Zelf had ik niet zoveel aan het Rouwdagboek. Het waren het soort clichés dat in mijn familie niet snel op een tegeltje zou komen: „In zekere zin weersta ik het Beroep op de Status van de Moeder om mijn verdriet te verklaren”, noteert hij bijvoorbeeld drie weken na zijn moeders dood.

En Barthes is ook zo hévig in de rouw. Hij wil zelf dood. Mijdt zijn vrienden. Ik vind hem een aansteller. Heeft hij soms meer en beter van zijn moeder gehouden dan ik van mijn vader? Of ben ik jaloers? Ik nam nooit de moeite om op een systeemkaartje te schrijven: „Gruwelijke dag. Steeds ongelukkiger. Ik huil.”

In Barthes’ laatste systeemkaartje kon ik me wel vinden. Bijna twee jaar na de dood van zijn moeder schrijft hij: „Er zijn zulke droevige ochtenden...”

Op het strooiveld hing die ochtend de mist tussen de bomen. Het was precies zo’n grijze, koude dag waar mijn vader een hekel aan had. Dan speelde hij klein jongetje: „Voel eens aan het puntje van mijn neus”, zei hij met een piepstemmetje. „Ik kan wel janken.” En dan huilde hij als een wolf. „Whoehoehoe, ik ben niks nie gelukkig. Ik denk dat ik een neutje moet.”

Daar moest ik opeens aan denken toen ik het strooiveld weer afliep, mijn voeten voorzichtig neerzettend om niet op de hoopjes as van anderen te trappen.