Alleen een stoffig lijk heeft tien jaar privacy

Onzichtbaar voor ieders oog, onhoorbaar voor ieders oor en zelfs haar geur was elke neus te slim af. Het lijk van een Rotterdamse vrouw, dat tien jaar onopgemerkt in een woning lag, is een triomf op bedrijven en overheden die burgers hun privacy ontnemen, vindt Mohammed Benzakour.

Een tien jaar oud lijk in een huis. Edgar Allan Poe zou er wel raad mee weten. Wat troffen de agenten aan bij binnenkomst: een skelet zittend op een keukenstoel met het theekopje nog tussen de vingerkoten? Een mummie omzwachteld in een kluwen van haarstrengen waarop een kat vredig ligt te spinnen?

De werkelijkheid van een gewone straat in een gewone buurt tart soms de verbeelding van de grootste horrorschrijvers.

Toen de Verenigde Staten Irak binnenvielen en hun eerste bommen loslieten, liet deze vrouw de geest. Tien jaar lang hebben micro-organismen en insecten ongestoord kunnen puinruimen, tot het allerlaatste spiervezeltje.

Deze Rotterdamse uit de Jan Porcellisstraat is niet de eerste. Verschillende lijken gingen haar voor, vorig jaar nog, in de Amsterdamse Diamantbuurt, vond de buurtregisseur een ingedroogd overschot van twee jaar oud op bed; in 2010 trof de politie het vier jaar oude karkas van een man in het Friese dorp Minnertsga (zijn broers en zussen woonden in hetzelfde huis); daarvoor, opnieuw in Rotterdam, een geraamte van meer dan een jaar oud.

Maar tien jaar is een nieuw record. De verbijstering is daarom groot en alom wordt schande gesproken. Schande dat geen enkele buur onraad rook of een kijkje nam (lijkenlucht dringt als gifgas door kieren en gaten), en waar was de familie, de dochter, zag werkelijk geen enkele passant de met aasvliegen bezaaide ramen?

Minstens zo groot is de verontwaardiging over bedrijfinstellingen en overheidsinstanties. Waar waren de telefoontjes van providers en kabelexploitanten, hebben energieleveranciers geen gasopmeters meer die langskomen, nooit een deurwaarder, en de huisarts, de buurtbeheerder, de gemeente, de verhuurder, de pakketdiensten, hebben zij dan allen zitten slapen?

Er klinkt een verwijt in door, een begrijpelijk verwijt. Maar er is ook iets anders.

De overheid (landelijk en lokaal) lijkt hier domweg de rekening gepresenteerd te krijgen voor de kaalslag in het welzijns- en thuiszorgbeleid. Zaken als dagbesteding en allerhande clubhuis- en buurtprojecten zijn geschrapt of flink afgeslankt. Wie het sociale weefsel van de samenleving afbreekt, daar waar dat weefsel ooit door kerk, buurt en vereniging werd vervuld, moet niet gek opkijken van stoffige lijken.

Toch, hoe macaber ook het voorval in de Porcellisstraat, een zekere troost en hoop schuilt er ook in.

Immers, reeds lang voordat Edward Snowden de noodklok luidde over de even grootscheepse als onbeschaamde spionageactiviteiten van de NSA, leek ‘privacy’ (we vinden een Nederlands woord niet eens de moeite waard) een luxeproduct geworden. Met de kaart van terrorisme in de hand dompelen opeenvolgende kabinetten de burgers in een bad van inspectie en bemoeizucht die we niet eerder kenden, terwijl bedrijven via Facebook, Google en AH-bonuskaarten onze vrije tijd en consumptiegedrag beloeren en aansturen.

Uitgebreide koppeling van gegevensbestanden maakt het mogelijk dat precies kan worden blootgelegd waar we verblijven, hoe we reizen, wie we bellen, wat we eten. Camera’s in straten en winkels (‘voor uw veiligheid’) zijn allang gemeengoed, we horen over het routinematig opstellen van gedrags- en bewegingsprofielen, we kennen de gen- en biometrische databanken en vele andere rasterfahndungen. Dit alles mede mogelijk gemaakt door de EU sinds op 1 januari 2008 de ‘dataretentie’ werd doorgevoerd. Beetje bij beetje zijn we verzeild geraakt in een glazen huis en we kunnen er weinig tegen uitrichten.

Maar soms, en dat is het goede nieuws, blijkt een huis helemaal niet van glas maar gewoon van hout en beton, zoals in de Jan Porcellisstraat. Agenten vonden achter de voordeur een berg ongeopende post. Volgens een overbuurvrouw lagen er vooral ‘tv-gidsen’.

Jan Porcellis was een schilder die prachtige zeegezichten kon uitbeelden. De hele dag tuurde de man over woelige baren met een weids uitzicht dat zich uitstrekte tot aan de horizon. De vrouw uit zijn straatnaam had maar één blikveld: een tv tussen vier nauwe muren.

Toch heeft zij het gepresteerd om in de beslotenheid van haar klein, miezerig huiskamertje een soeverein eiland te creëren: zij wist tien jaar lang (en nog langer) volledig te verdwijnen uit elke systeem, ordening en codering. Onzichtbaar voor ieders oog, onhoorbaar voor ieders oor en zelfs haar ontbindingsgeur was elke neus te slim af. Volstrekt anoniem gedijde zij.

Dat is een daad van vrijheid. Een triomf. Want de enige en misschien wel laatste vrijheid die de moeite waard is van ‘t verdedigen is iemands vrijheid om binnen zijn eigen vier muren zich lazarus te slikken, te snuiven, of volkomen naamloos tot stof te vergaan.