AEX-index vordert langzaam op zijn reis naar het einde van de nacht

De AEX hikt al weken tegen de 400-grens aan. Iedereen wacht op het niveau van vóór 2008.

Een tantaluskwelling, zo mag de Amsterdamse beurs van de afgelopen weken onderhand wel worden omschreven. Telkens als de AEX-index naar de 400 punten greep, trok deze zich terug tot net buiten handbereik. Dat duurt nu al zo’n vijf weken, sinds 22 oktober. Gisteren eindigde de index wederom nét onder de grens, op 396,55 punten. Niet dat het getal van 400 daadwerkelijk betekenis heeft: er lopen optieseries op een index van 400, maar die zijn er ook op 395 en 405. De grens is voor technisch analisten niet van wezenlijk belang en in guldens – de oorspronkelijke denominatie van de index – zou het hier zijn gegaan om de niet zo magische grens van 881,48 punten.

En toch is het doorbreken van de grens symbolisch: hij staat voor het einde van de lange, angstige reis door de nacht van de kredietcrisis. Daags voor de val van Lehman Brothers, in september 2008, dook de index onder de 400 punten. Hij bereikte een dieptepunt van vlak onder 200 punten in maart 2009 en krabbelde daarna moeizaam op. Voor beleggers die de toppen van de internetzeepbel meemaakten, is zelfs het huidige niveau van de AEX onbevredigend. Zij denken terug aan de ruim 703 punten van september 2000, ruim dertien jaar geleden. Of aan 3 juli 1997, toen de index voor het eerst zo hoog stond als nu.

De vraag is uiteraard of de opgaande lijn op de beurzen intact blijft. De Amsterdamse beurs is inmiddels stevig gewaardeerd: de aandelenprijs ten opzichte van de boekwaarde staat op 1,50, en dat is even hoog als vóór de crisis. De gemiddelde koers/winstverhouding (het aantal malen de winst per aandeel dat voor een aandeel wordt betaald) staat op 16,51. Dat is hoog, maar niet onmogelijk hoog, en wordt gedeeltelijk ingelopen door de verwachte winstgroei per aandeel, waardoor de koers/winstverhouding volgend kwartaal volgens Bloomberg zakt naar 14,32. Dat wordt overigens tijd, want de stijging van de beurskoersen van het afgelopen jaar is voor het belangrijkste deel te danken aan een hogere waardering door beleggers en niet zozeer door verbeterende prestaties van de genoteerde bedrijven. Dat is ook te zien aan het gemiddelde dividendrendement, dat nog maar 2,66 procent bedraagt en vrijwel gehalveerd is ten opzichte vorig jaar.

Het beursgenoteerde bedrijfsleven zal moeten gaan leveren om de koersstijging waar te maken. Dat vergt een verdere opleving van de economie. Het alternatief is dat de waardering van aandelen op de beurs hoog blijft of verder stijgt. En dat hangt weer af van het voortbestaan van de uiterst ruimhartige monetaire omstandigheden die centrale banken voor banken en beleggers hebben gecreëerd.

Misschien zit daar ook wel het probleem: bij een verder aantrekkende economie zullen de centrale bankiers de teugels aanhalen. Goed nieuws over de economie kan dus slecht nieuws voor de beurzen worden.

Tenzij de twee elkaar in een comfortabel evenwicht houden. Niet te warm, die economie, niet te koud, maar precies goed. Gunstig nieuws graag, over de economie. Maar weer niet té. Waar kennen we dat ook alweer van? Precies: van de Goudlokje-economie in de tweede helft van de jaren 90. De geschiedenis herhaalt zich niet, maar wie weet rijmt hij wel.