ADHD? Leg uw kind maar in de scanner

Is een kind gewoon heel druk of heeft het ADHD? Onderzoeker Mazaheri ontwikkelt een test op basis van hersensignalen Maar is een psychiatrische stoornis wel te meten in het lichaam?

Een EEG-test hoeft een ADHD-diagnose niet te vervangen, maar kan die wel ondersteunen, zeggen voorstanders.

redacteur biologie

Weg met de onzekerheid rond psychiatrische aandoeningen. Gebruik liever een test op biologische kenmerken, zoals hersenactiviteit of bloedwaarden. Dan kunnen we objectief vaststellen of iemand aan ADHD of psychoses lijdt. Zo kan afgerekend worden met het probleem van de over- en onderdiagnose in de psychiatrie. Het zou zwart-op-wit kunnen laten zien of pillen, diëten of therapieën wel helpen.

Maar bestaat zo’n biologische test wel?

Ik zit met een badmuts vol elektroden op mijn hoofd. Het voelt vreemd koud aan op mijn hoofdhuid als neurowetenschapper Ali Mazaheri en zijn promovenda Rosanne van Diepen een geleidende gel in de 64 elektroden spuiten. De elektroden pikken de elektrische signalen van neuronen in mijn hersensschors op.

Een maand geleden publiceerde Mazaheri in Biological Psychiatry een geruchtmakend onderzoek waarin hij op basis van EEG kinderen met verschillende subtypen van ADHD kon identificeren. Daarmee komt eindelijk een objectieve test in zicht die ouders met knagende onzekerheid over of hun kind nou wel of geen ADHD heeft uit de brand zou helpen.

Mazaheri voerde het onderzoek uit in het Center for Mind and Brain van de University of California. Inmiddels is hij in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam begonnen met vervolgexperimenten. „Het gaat om verschillen in de informatieverwerking in de hersenen”, legt hij uit. „Die vormen een objectief kenmerk voor psychiatrische ziekte. Het verschil is kwantitatief meetbaar, niet gebaseerd op iemands mening of interpretatie.”

Enkel het doormeten van iemands hersengolven levert geen bruikbare informatie op. Maar hoe die signalen veranderen tijdens ingenieus opgezette taakjes die de proefpersonen moeten uitvoeren wel. Mazaheri kan tijdens de testjes nauwkeurig meten wanneer een bepaald signaal de verschillende hersengebieden bereikt. „Voor mij zijn vooral de zogeheten alfagolven interessant”, zegt hij. „Het alfaritme heeft een frequentie van ongeveer 10 trillingen per seconde. Het is kenmerkend voor hersengebieden in waakzame toestand. Hiermee kun je zien wanneer een hersengebied informatie krijgt en verwerkt. Dan verdwijnt prompt de alfagolf.”

Mazaheri laat het mij met mijn badmuts op zien: „Sluit je ogen, wacht even en doe ze open. Kijk: de EEG pikt meteen een duidelijke alfagolf op uit de visuele hersenschors.”

Canadese onderzoekers publiceerden in 2010 in Clinical Neuropsychology over een soortgelijke EEG-test, maar dan voor schizofreniepatiënten. Met 84 procent nauwkeurigheid konden ze de honderd deelnemers indelen in de juiste categorie. Anderen probeerden psychiatrische diagnoses te stellen op basis van DNA- of bloedtesten.

Vergeet het maar, die test bestaat niet

Maar niet iedereen is enthousiast. „Ik geloof niet direct in het biologisch testen op psychiatrische stoornissen”, zegt Sarah Durston, biologisch psycholoog aan het UMC Utrecht Hersencentrum. Zelf doet ze met behulp van een ander type hersenscans – MRI – onderzoek naar ADHD en autisme bij kinderen. Dat is zinvol om de mogelijke biologische oorzaken bloot te leggen, maar voor de diagnose is het niet geschikt. „Het probleem van dit soort testen is dat je eruit krijgt wat je erin stopt. Je gaat op zoek naar verschillen, maar ergens moet je dan een drempelwaarde leggen voor de categorie ziek en gezond. De test geeft dan in bijvoorbeeld 84 procent van de gevallen een correcte uitslag; maar dat betekent nog steeds veel valspositieven en valsnegatieven.”

Andere mensen zijn ronduit negatief. Vergeet het maar dat biologische testen voor psychiatrische stoornissen werken, zegt de Californische psychiater Allen Frances, die voor een congres op bezoek was in Nederland. „De laatste 150 jaar hebben neurowetenschappers op allerlei manieren geprobeerd de hersenwerking op fysiologisch niveau te verklaren. Maar tot dusver is er geen enkele vertaling geweest van basaal neurologisch onderzoek naar de klinische psychiatrie. Er zijn vaak biologische tests voorgesteld, maar uiteindelijk blijken de resultaten daarvan in grotere groepen niet te repliceren. Er heeft er tot nu toe geen één stand gehouden.

Volgens Frances zal het heel lastig blijven een betrouwbare biologische test te ontwerpen, omdat de onderlinge variatie tussen individuen met dezelfde psychiatrische diagnose minstens zo groot is als binnen elke willekeurige groep mensen. Psychiatrische ziekten zijn niet homogeen: er zijn honderden verschillende routes die tot dezelfde stoornis leiden.”

Mazaheri is verbaasd over de kritiek van Frances. „Hij is niet goed op de hoogte. Mijn eerdere onderzoeken zijn wel degelijk door anderen gerepliceerd.” Toch ziet ook hij zijn EEG-test niet als een op zichzelf staand diagnostisch instrument dat de gebruikelijke psychiatrische anamnese overbodig maakt. „Je kunt geen diagnose stellen alleen op basis van een EEG, dat zal waarschijnlijk nooit gebeuren. Zelfs bij zo’n duidelijke stoornis als epilepsie wordt EEG alleen als hulpmiddel gebruikt. Maar een EEG-test kan wel helpen een diagnose te bevestigen of te ontkrachten, bijvoorbeeld wanneer twee psychiaters het niet eens kunnen worden”

Aan scepsis en ongeloof is hij trouwens wel gewend, vertelt Mazaheri. In zijn geboortestad Toronto werkte hij als student neurowetenschappen in de groep van Terry Picton, die een gehoortest voor baby’s ontwikkelde op basis van EEG-metingen. Mazaheri: „Aanvankelijk nam niemand hem serieus. Hoe zou je nou het gehoor kunnen testen bij kinderen die niet eens konden praten? Maar de waarheid is dat je wel degelijk kunt meten of geluidssignalen doordringen in de hersenen. Inmiddels wordt deze test algemeen gebruikt om heel jonge kinderen te testen die niet goed lijken te horen.”

De maatschappij moet anders

Het zou „heel waardevol” zijn om een goede diagnostische test te hebben, gebaseerd op onafhankelijk meetbare biologische kenmerken, zegt Frances wel. „Maar het leidt de aandacht af van wat nu werkelijk moet gebeuren in de psychiatrie”, zegt hij. „Veel te veel kinderen krijgen nu onterecht de diagnose ADHD of autisme. De oorzaak achter de toename van ADHD en autisme bij kinderen moet niet gezocht worden in de hersenen van die kinderen, maar in de organisatie van de maatschappij.”

Durston bevestigt dat er bij veel kinderen onterecht ADHD gediagnosticeerd wordt. Dat komt volgens haar ook door de manier waarop de zorg is ingedeeld. „Om hier extra financiële hulp te krijgen moet een kind een psychiatrische diagnose hebben. Dat geeft een perverse prikkel. Het kan ertoe leiden dat ouders gaan shoppen om toch maar een diagnose te krijgen. Maar dat er symptomen zijn is niet genoeg, de vraag moet zijn of er behandeling nodig is. Dat moet niet afhangen van het diagnose-kaartje.”

Daarom zou het volgens Durston wenselijk zijn om classificatie in de psychiatrie veel meer op de onderliggende biologie te baseren. „Eigenlijk gaat het erom wat er in je hoofd gebeurt. Er zit bijvoorbeeld een behoorlijke overlap tussen ADHD en autistische stoornissen, en uit hersenonderzoek blijkt dat inderdaad deels dezelfde hersensystemen daarbij betrokken zijn.”

Een diagnosesysteem zonder ‘hokjes’ zou volgens Durston „veel zinniger” zijn. „Psychiaters zouden patiënten dan op geleidelijke schalen kunnen beoordelen in hun score in een aantal spectra, zoals psychose, hyperactiviteit etcetera. Daarmee zouden ze psychopathologie kunnen vaststellen, zonder er meteen een etiket op te plakken. Maar zo ver zijn we nog lang niet.”