Witte manen als getapt, schuimend bier

‘Gissingen, gebeurtenissen’, een bundel met veel verhalende poëzie, beeldende toevoegingen en oogstollende beschrijvingen, is een hoogtepunt in het oeuvre van de dichter, deze ‘vaardige beeldsnijder’.

Het lijkt een boodschappenlijstje. Op de plek waar dichters doorgaans een motto plaatsen, biedt Hans Tentije in zijn nieuwe dichtbundel een wervelende reeks notities. ‘Het verschoven, streepdunne schouderbandje, de penseelharen / wimperschaduw die de jukbeenderen beroert, koolzwarte / oogappels, het in de vlierbloesemlucht getekende vlugschrift / van gebaren, het oogstrelende en het onverzoenlijke / destijds, de hangbrug die in de snel invallende duisternis / losraakt van zijn oevers, …’ En dat zijn nog maar zes van de vierentwintig regels van deze sierlijst.

Meer dan een boodschappenlijstje is het een visitekaartje. Hier presenteert zich de grootmeester van de taalaquarel, en in zijn oeuvre is Gissingen, gebeurtenissen een hoogtepunt. Aan de idee dat poëzie gebaat is bij decoratieve kaalslag heeft Tentije geen boodschap. Haast elk zelfstandig naamwoord gaat in zijn poëzie vergezeld van een beeldende toevoeging, waarbij deelwoorden, voltooid of onvoltooid, niet geschuwd worden. Op z’n best (en dat is hier herhaaldelijk) schept dat sfeer, en wat die oproept bepaalt de kwaliteit van Tentijes gedichten.

De taal is lyrisch, maar de verzen hebben een hoog prozagehalte. Tentije schrijft trefzeker en krachtig, maar het is ook zijn dichterlijke zwak. Als proza genoteerd, met hoofdletters aan het begin van de zinnen en op volle zetbreedte afgedrukt, zouden veel regels niet meer als poëzie te herkennen zijn.

Soms vertellen de gedichten van Tentije ook een echt verhaal. Een man heeft in een Antwerps hotel een bekaaide reünie met een vroegere minnares, een vrouw overweegt de veiligheid van haar bestaan sinds de Gestapo haar geheime minnaar heeft opgepakt. Veiligheid en beschutting zijn ook elders in de bundel ver te zoeken. De sfeer die Gissingen, gebeurtenissen oproept is die van ontheemding – zelfs met een dak boven het hoofd.

Een voorbeeld van verhalende poëzie waarin de conclusie van verlatenheid onverbiddelijk van couplet naar couplet wordt opgebouwd, is het slotvers ‘Eerdaags’. Dit gedicht verhaalt de beeldrijke herinneringen van een brouwersdochter. ‘Zo vaak,’ eindigt het achtste couplet, ‘gingen haar gedachten terug / naar zulke lange voorbije omstandigheden’

toen ze de vier trekpaarden, de breedlijvige maar

ruimhartige

belezen, nog bezaten, tot een verreisde ordonnans

bij het uitbreken van de oorlog het bevel kwam

brengen

dat men ze vorderde om ze voor veldaffuiten

met houwitsers te kunnen spannen

daar stond ze, haar wang tegen een van de

stalwarme flanken gedrukt

en hoorde hem, terwijl hij zijn linkerbeen over het

zadel

van zijn motorfiets zwaaide, nog zeggen dat hun

witte manen

hem aan net getapt, schuimend bier deden denken

of hun voerman hem werkelijk ter plekke naar de

strot

had willen vliegen, kon ze zich niet meer heugen,

maar wel

hoe er pis door haar gebreide wollen

onderbroek drong en op het net ververste

dwarse stro sijpelde –

eerdaags zou het hele bedrijf, enige erfgename

als zij was, het hare wezen, met inbegrip van al het

teloorgegane

Dit citaat toont hoe prozaïsch Tentije als dichter kan zijn. Toch vind ik hem een dichter. Geen volle lyricus, geen zanger – maar dat soort is inmiddels toch al zeldzaam in het poëziegebeuren. ‘Een vaardig beeldsnijder’ heb ik hem eerder genoemd, en dat is een compliment dat onveranderd geldt voor Gissingen, gebeurtenissen. Oogstollend zijn de beschrijvingen al in het tweede vers van de bundel, ‘Stadtmitte’. En stollender nog zijn de beelden in het daaropvolgende ‘Lungeheilstatte für Frauen, Pavillon B IV’. De ouverture sluit elke vluchtweg voor onwillige lezers af: ‘De in de laden van dit verlaten sanatorium aangetroffen glasplaten/ met tegen het licht gehouden longen, strottehoofden/ en luchtpijpen die al lang zijn uitgeademd, fijnmazige vertakkingen en vervlechtingen/ tekenen zich af alsof er dit voorjaar weer gezang/ op neerstrijken kan, zich het nestelen nog maar net herinnerend’.

Dertien regels lang volgt de beschrijving van het vroegere sanatorium, met ‘het verpleegsterswit / dat zich in een geur van carbol en jodoform met thermometers, steriel / verbandgaas, met sputum en ondersteken / echoënd voorthaastte terwijl er op zaal chronisch tekort / aan troost en sacramenten heerste’. Na zoveel troosteloosheid is de slotregel bevrijdend: ‘bijtijds te mogen sterven is een groot voorrecht soms.’

In zijn eerste twee bundels, Alles is er (1975) en Wat ze zei en andere gedichten (1979), spiegelde Tentije zijn beelden steevast aan een ‘ik’. De dichter gaf een mening, en sprak die bloemrijk uit. Maar vanaf zijn derde bundel raakte de dichterlijke stem verdrongen door sfeertekening, met een melancholische ondertoon. Ik vond dat indertijd een passieve ontwikkeling, Het was allemaal vaardig geconstrueerd, maar ik miste bezieling. Blijkbaar had de dichter tijd nodig om die opnieuw te ontwikkelen, In Als het ware (2010) kreeg moderne barok een ziel. De poëzie in Gissingen, gebeurtenissen bevestigt de kracht van die verworvenheid.