Wimpeltje

’S Middags de Hermans-biografie gekocht, ’s avonds naar de presentatie ervan in de Rode Hoed. Kom ik dan nooit van Hermans af? Nee, nooit. Wie eenmaal in de ban is geraakt van zijn werk, blijft erdoor gefascineerd. Ik heb in de loop van de jaren meer oog gekregen voor zijn zwakke kanten – zijn meedogenloosheid, zijn wraakzucht, zijn gelijkhebberij – maar hij blijft voor mij een groot schrijver.

Hermans leeft nog – de Rode Hoed was afgeladen. Mijn vermoeden is dat hij langer gelezen zal blijven dan zijn generatiegenoten. Zijn thematiek is van alle tijden – de nietige mens en zijn zinloze leven in een onverschillig universum – en zijn stijl mag dan niet nabokoviaans briljant zijn, de onversierde directheid ervan geeft zijn beste boeken iets onontkoombaars.

Biograaf Willem Otterspeer kreeg op deze avond het compliment dat hij bij vlagen weliswaar zeer kritisch was over Hermans, maar dat hij hem niet van de troon probeerde te stoten. Had hij een andere kijk op Hermans gekregen? Hij beaamde het: voor de schrijver was zijn bewondering toegenomen, van de mens had hij een complexer beeld gekregen – Hermans was in staat tot de grootste tederheid, maar hij kon ook meedogenloos zijn.

Als voorbeeld van die tederheid noemde hij Hermans’ houding bij de miskraam van zijn vrouw in 1954. Hij was toen vanuit het ziekenhuis haastig naar huis gegaan om alle sporen van het aanstaande moederschap, zoals de kleertjes, uit te wissen. (Goed bedoeld, maar ik vraag me af of iedere vrouw dat zou hebben gewild.)

Otterspeer kreeg voor zijn boek alle medewerking van de weduwe en haar zoon, zoals de onbeperkte toegang tot het archief. Hij herinnerde zich hoe ze hem na een gesprek in haar huis in Broek in Waterland uitgeleide deed en bij het hek tegen hem zei, terwijl ze haar rug rechtte: „Je zult bij je onderzoek zaken tegenkomen die niet in overeenstemming zijn met de doorsnee burgermansmoraal, maar…mijn bed was het warmste.”

Dit brengt mij op een facet van Hermans’ liefdesleven dat ook besproken werd: zijn relatie in de oorlogsjaren met Truusje Esser, model voor Madelon in Madelon in de mist van het schimmenrijk. Over haar kon de vorige biograaf, Hans van Straten, ons nog weinig melden, maar volgens Otterspeer is zij „misschien wel de grootste liefde uit Hermans’ leven geweest”. In de Rode Hoed sprak Otterspeer van „een sadomasochistische verhouding, een kat- en muisspel, een wedstrijd in krabben en slaan.”

Ik had me heilig voorgenomen zijn biografie keurig van voren naar achteren te lezen, maar nu kon ik de verleiding niet langer weerstaan alvast hoofdstuk 8, De liefde als oorlog, open te slaan. Adembenemende lectuur. De trotse Hermans die zich laat manipuleren door een vrouw, die hem uitspeelt tegen haar vaste vriend en hem beurtelings naar haar toehaalt en weer afstoot.

„Je zegt nu wel dat jij er gek van wordt”, schrijft ze hem, „maar wanneer ik er me niet met alle kracht tegen verzette zou ik het net zo goed worden.”

Haar laatste briefje („Wimpeltje, Wat scheelt eraan?”) is van 2 augustus 1944. Hermans kapt ermee. In 1963, drie jaar voor haar dood, ontmoeten ze elkaar op haar voorstel nog eens. Ze stuurt hem daarna een kaartje: „Heb je geen zin om nog eens wat met mij te praten? Voor mij was het verschrikkelijk kort.” Hermans heeft op het envelopje ‘niet beantwoord’ geschreven.

En nu ga ik die biografie bij hoofdstuk 1 lezen, zoals het hoort.